Daar betekenis & definitie

1. - gaat-ie weer voor niks, Amsterdamse (joodse) uitdr. die gebruikt wordt wanneer iemand iets gratis verkrijgt. Opgekomen in de periode dat Amsterdamse politieagenten zonder te betalen mochten gebruikmaken van de tram.

2. -gajel, op je gezondheid! Heilwens bij het drinken (vnl. van wij n). Vernederlandst uit Jiddisch le-chajem ‘ten leven; op het leven’. In het oude Israël werd aan ter dood veroordeelden een met wierook vermengde beker wijn gereikt om hen vóór de terechtstelling te bedwelmen. Dat is de reden waarom men bij het drinken van wijn de wens lechajem, ten leven (en niet ten dode), uitsprak. Tegenwoordig ook bij het gebruiken van een borrel.

Nou de frisse. Daar ga je. (Piet Bakker: De Slag, 1951) ... en Hajo heft zijn ouwe klare op en zegt: ‘Bazip, ouwe sijmelaar, daar gajel’ (Cees Buddingh: De avonturen van Bazip Zeehok, 1969)

Daar ga je moeder! Proost! Santjes, Jo! (Herman Heijermans: Op hoop van zegen, 1900, herdruk 1974)

Proost meid. Daar ga je hoor... (Marcus Heeresma: Waarde landgenoten, 1983)