Gepubliceerd op 21-02-2019

Eduard frankfort

betekenis & definitie

Eduard Frankfort geb. Meppel 21 juni 1864, overl. Laren (N.H.) 19 augustus 1920.

Woonde en werkte in Amsterdam, tijdelijk in Zuid-Afrika (1905-1906). Leerling van de Rijksakademie te Amsterdam (1879-1887) o.l.v. A. Allebé en van de Antwerpse Akademie (3 mnd.).

Schilderde aanvankelijk taferelen uit het Joodse leven, daarna landschappen en portretten, maar is toch de schilder van de Twentse en vooral Gooise boereninterieurs met figuren. Hij behaalde o.m. in 1903 de gouden medaille op de tentoonstelling van ‘Arti et Amicitiae’, waarvan hij ook lid was. Gaf les aan H. S. Asscher, E. S. van Beever, D. W. van Caspel, H. van Gelder, J. van Heek, M. G. van Heek, H. Koetser, R. Spanjaard, L. L. van der Tonge.

Tentoonstellingen Amsterdam. Den Haag, Rotterdam, Groningen enz. 1886-1905 (en later): het ochtendgebed; rituele slachting van gevogelte; op de vismarkt; in de synagoge; studiekop; marskramer; bruidsmeisjes; de kleine fluitist; in ’t atelier; Talmoedles; mazen (aquarel); het oude-vrouwenhuis; diverse interieurs van synagogen; Twentse boereninterieurs; dorpsschool in Twente; Larense interieurs; boerenvrouwtjes enz.

Luns; Lurasco; Plasschaert; Van Hall I; Waller.

< >