Piet van der Ploeg

Auteur van het psychologiewoordenboek

Gepubliceerd op 29-12-2016

2016-12-29

item response theorie

betekenis & definitie

Moderne testtheorie in opvolging van de klassieke testtheorie ontwikkeld vanaf 1950 door onder andere F.M. Lord (1952), G. Rasch (1960), A. Birnbaum (1968) en R.J. Mokken (1971). Hoewel de klassieke testtheorie nog steeds veel gebruikt wordt gaat de item response theorie (IRT) de laatste twee decennia steeds meer terrein winnen. IRT is een verzameling modellen ter beschrijving en verklaring van het gedrag van personen die antwoorden geven op vragen (items) uit psychologische en onderwijskundige meetinstrumenten.

Kenmerkend aan IRT is dat niet, zoals in de klassieke testtheorie, wordt gewerkt met het begrip 'meetfout', maar dat ervan uitgegaan wordt dat een persoon een bepaalde kans heeft om positief te reageren op een item (een toetsitem goed te maken of in te stemmen met een attitude-item). Deze kans wordt geacht af te hangen van enerzijds de plaats van de persoon op het continuüm (de mate waarin de persoon de latente trek bezit), anderzijds één of meer kenmerken van het item (zoals de moeilijkheid of extremiteit).
De relatie tussen de vaardigheid of attitude van personen en de kans op een positieve prestatie of reactie op een item kan per item worden weergegeven in een itemkarakteristieke functie of -curve ('item characteristic curve', afgekort ICC). In alle latente trekmodellen wordt er vanuit gegaan dat deze ICC's continue en monotoon niet-dalende functies zijn. Continu wil zeggen: de functie is op alle plaatsen van het continuüm gedefinieerd. Monotoon niet-dalend wil zeggen dat de kans op een positieve beantwoording gelijk blijft of toeneemt, als de te meten eigenschap toeneemt.
We geven hier een overzicht van de belangrijkste voordelen van IRT-testmodellen t.o.v. klassieke testmodellen: (1) controle of de test een bevredigende beschrijving geeft van de testgegevens; (2) meetniveau is afleidbaar uit de theorie; (3) controleerbaar of de theorie past bij de gegevens; (4) populatie onafhankelijk meten; (5) niet alleen theoretisch vernieuwend maar leidt ook tot praktische consequenties die innovatief zijn (P.J.D. Drenth, 1990).