Piet van der Ploeg

Auteur van het psychologiewoordenboek

Gepubliceerd op 29-12-2016

2016-12-29

dialectische gedragstherapie

betekenis & definitie

De dialectische gedragstherapie (DGT) is een gestructureerd behandelprogramma waarin wordt behandeld volgens vaste protocollen. Deze gedragstherapeutische interventie is ontwikkeld door Linehan, gebaseerd op de principes van de cognitieve gedragstherapie.

In DGT worden 4 aspecten van cognitieve gedragstherapie benadrukt die in de traditionele cognitieve gedragstherapeutische aanpak minder aandacht krijgen:
- nadruk op de acceptatie van het gedrag zoals het op dat moment is;
- nadruk op het behandelen van met de therapie-interfererend gedrag van zowel de cliënt als de therapeut;
- nadruk op het belang van de therapeutische relatie voor de behandeling;
- nadruk op dialectische processen: het evenwicht tussen verandering en acceptatie.
Het belangrijkste uitgangspunt van DGT is dat personen met Borderline Persoonlijkheid Stoornis (BPS) vaardigheden missen op het gebied van het instandhouden van relaties. Ze missen hiervoor belangrijke zelfregulerende en emotieregulerende vaardigheden en hebben een te lage frustratietolerantie. Het gebruik van gedragsvaardigheden die deze mensen wel bezitten wordt hierdoor belemmerd. De dialectische methode richt zich zowel op de onmiddellijke gevolgen van het gedrag en de grotere context waarin dat gedrag plaatsvindt als op de onderlinge samenhang tussen verschillende gedragspatronen.
- De cliënt moet sociale vaardigheden aanleren.
- Een belangrijke factor in de therapie is dat de patiënt zichzelf zal moeten leren accepteren en ondertussen van de noodzaak zal moeten worden doordrongen zichzelf te veranderen.
- De invloed van de omgeving op de patiënt is een belangrijke factor binnen de DGT.
Er is enig systematisch onderzoek gedaan naar de effectiviteit van deze behandelmethode. De dialectische benadering van BPS is op de korte termijn succesvol gebleken bij specifieke groepen BPS-patiënten, ook in Nederland.
Vooral zelfbeschadigend gedrag lijkt te verminderen en ook het aantal suïcidepogingen daalt, evenals het aantal crisisopnames.
Het aantal mensen dat voortijdig de behandeling afbreekt is lager dan gebruikelijk.
De effecten op andere aspecten van de stoornis en op de stemming zijn minder overtuigend.
Het psychosociaal functioneren is een jaar na aanvang van de therapie nog steeds beter dan bij de controlegroepen. Het is nog de vraag of de resultaten op de langere termijn beklijven.