Peter Timofeeff

Prisma van het Weer

Gepubliceerd op 06-04-2017

2017-04-06

Föhn

betekenis & definitie

1. Proces dat zich afspeelt in luchtstromingen in bergachtige gebieden.

Föhn ontstaat aan de lijzijde van een bergkam in luchtstromingen, die er loodrecht op staan. De lucht wordt tegen de loefzijde van het gebergte gedwongen op te stijgen. De lucht koelt daardoor in een adiabatisch proces af. Koude lucht kan minder waterdamp bevatten dan warme lucht. Zodra het dauwpunt bereikt is, condenseert de in de lucht aanwezige waterdamp, er ontstaan wolken waaruit water door neerslag verdwijnt. De condensatiewarmte die daarbij vrijkomt, wordt door de lucht opgenomen, die daardoor al iets wordt opgewarmd. Bovendien is door het waterverlies, door de gevallen neerslag, de lucht ook veel droger geworden, zodat aan de lijzijde van het gebergte de temperatuur tijdens het adiabatische proces in de dalende beweging tot veel hogere waarden op kan lopen, dan op dezelfde hoogten aan de loefzijde. Door het lage vochtgehalte is de lucht ook nog erg helder, zodat met name in de bergen schitterende vergezichten ontstaan. Ook in onze omgeving is föhn soms, zij het dan op kleinere schaal, waar te nemen. Bij een stroming uit zuid tot zuidoost komt het voor dat tamelijk vochtige lucht met bewolking die vanuit Midden-Duitsland op ons afkomt, achter de Ardennen en de Limburgse heuvels door het föhneffect is uitgedroogd, waardoor de bewolking oplost en het vervolgens in het zuiden en zuidoosten van onze omgeving een aantal graden warmer wordt dan in eerste instantie verwacht werd.
2. Naam van een droge en warme valwind in de Alpen. De naam is afgeleid van het Latijnse `favonius', hetgeen `warme westenwind' betekent. Karakteristieke eigenschappen van de föhn zijn de grote temperatuurtoename van soms 10 tot 15°C, en de sterke afname van de luchtvochtigheid, met waarden tot 70 … 80%. Bovendien is het oplossen van bewolking aan de lijzijde van het gebergte duidelijk waar te nemen. Ook als aan de loefzijde nog sprake is van een gesloten wolkendek, de zgn. föhnmuur, lost dit aan de lijzijde, op zijn minst gedeeltelijk, op. Op deze manier ontstaat ook de typische föhnbewolking: de lensvormige afgeplatte wolken, de zgn. lenticularis. De wolkenloze plekken tussen die wolken worden ook wel föhngaten genoemd. De föhn komt in principe het hele jaar voor, maar het meest in het voorjaar.

Zie ook: noordföhn
Zie ook: zuidföhn
Zie ook: lokale wind