Peter Timofeeff

Prisma van het Weer

Gepubliceerd op 06-04-2017

2017-04-06

Ecosysteem

betekenis & definitie

Ruimtelijke eenheid waarbinnen de heersende milieu-omstandigheden bepalen welke organismen zich kunnen handhaven. Ieder ecosysteem herbergt dus een karakteristieke groep planten en dieren: de levensgemeenschap of biocoenose.

Voorbeelden van ecosystemen zijn het tropische regenwoud, de zee, de heide, enz. Milieufactoren die op de organismen inwerken, worden verdeeld in biotische (alle relaties tussen de levende organismen onderling) en abiotische (fysische, chemische, dus `niet-levende') factoren, zoals water, lucht, licht, bodem en klimaat. Binnen een ecosysteem bestaan twee typen relaties, namelijk die tussen individuen van dezelfde soort (intraspecifieke relaties) en die tussen individuen van verschillende soorten (interspecifieke relaties). Ieder ecosysteem heeft zijn eigen energiehuishouding. Deze is niet strikt gesloten, want er komt energie het systeem binnen in de vorm van zonlicht en er vindt uitwisseling plaats met andere ecosystemen. Er wordt gestreefd naar een zekere stabiliteit, een zgn. biologisch evenwicht. Gebleken is dat een ecosysteem stabieler is naarmate er meer verschillende soorten in voorkomen. Het aantal individuen per soort (bevolkingsdichtheid) is dan klein. Naarmate er namelijk meer soorten zijn, zullen er ook meer verbindingen tussen de verschillende voedselniveaus bestaan, waardoor verschuivingen in aantallen gemakkelijker worden opgevangen zonder dat de totale kringloop wordt verstoord. Hoe armer aan soorten de gemeenschap is, hoe kwetsbaarder het ecosysteem blijkt te zijn.

Zie ook: biosfeer
Zie ook: ecologie
Zie ook: milieu