Xenophanes betekenis & definitie

Xenophanes (560-­478 v.o.t.) was een Griekse filosoof en dichter. Hij behoorde tot de presocratici en keerde zich tegen het Griekse polytheïsme en stelde dat er van de goden geen ethische boodschappen uitgingen.

Uit de verhalen van Homerus en Hesiodus kon men alleen afleiden dat de goden er schandelijke praktijken op nahouden, aldus Xenophanes: ‘Bij de Griekse goden valt er weinig meer te beleven dan ‘kleptein, moicheuein te kai allèlous apateuein’: ‘stelen, hoereren en elkaar bedriegen’.’

Volgens Xenophanes konden mensen nooit iets zeker weten van de goden. Mensen konden via empirische waarnemingen enkel kennis krijgen van het natuurlijke, maar nooit van het zogenaamde bovennatuurlijke. In een van zijn leerdichten spotte hij met de antropomorfe voorstelling van de goden. Mensen stellen zich hun goden steeds voor in de gedaante en kledij waarin ze zelf leven. Hij schreef: ‘De stervelingen menen dat de goden geboren worden zoals zij, dat zij gekleed gaan zoals zij, dat zij een stem en een lichamelijke gestalte hebben die gelijken op die van hen. (...) Indien ossen, paarden, leeuwen handen hadden en met die handen konden schilderen en kunstwerken konden vervaardigen zoals de mensen, dan zouden de paarden de goden schilderen als paarden en de runderen zouden ze voorstellen als runderen en zij zouden de goden een lichaam geven gelijkend op dat van hen. (...) De Ethiopiërs zeggen dat hun goden stompe neuzen en een zwarte huidskleur hebben, terwijl de inwoners van Thrakië beweren dat de goden blauwe ogen heb­ ben en rossige haren.’

Xenophanes wordt algemeen beschouwd als de eerste agnost, al gaat de Spaanse filosoof Fernando Savater nog een stap verder en omschrijft hij de Griekse filosoof als ‘een grondlegger van de atheïstische houding’.

Laatst bijgewerkt 15-02-2017