Celibaat betekenis & definitie

Het celibaat binnen het christendom betekent dat bepaalde geestelijken zich seksueel volledig onthouden. In de oosterse Kerk geldt de verplichting daartoe alleen voor kloosterlingen en bisschoppen. In de westerse Kerk geldt dit ook voor priesters. Deze richtlijn werd op verschillende concilies opgelegd, maar tot de 11de eeuw niet goed opgevolgd.

Onder paus Gregorius vii werd de celibaatsplicht strenger gecontroleerd en nageleefd. Verschillende pausen in de 15de eeuw hadden evenwel kinderen bij maî ­ tresses. Paus Alexander vi, geboren als Rodrigo Borgia, had verschillende kinderen bij zijn maîtresse Vannozza dei Cattanei en zou zelfs een incestu­ euze relatie hebben gehad met zijn eigen dochter Lucrezia (al wordt dat door veel historici betwist). Aan deze praktijken probeerde het Concilie van Trente (1545­1563) een einde te maken en men hernieuwde de strikte celibaatsplicht. Geestelijken moesten hun leven wijden aan God en mochten daarin niet afgeleid worden door een huwelijk of een seksuele relatie.

Ze verwezen daarbij naar het evangelie van Mattheus (19: 12): ‘Er zijn onhuwbaren die zo uit de moederschoot zijn gekomen; en er zijn onhuwbaren die door de mensen zo gemaakt zijn; maar ook zijn er onhuwbaren die zichzelf onhuwbaar hebben gemaakt omwille van het Rijk der hemelen.’ Ook Korintiërs (7: 32­33) zou dit beklemtonen: ‘Wie niet getrouwd is, heeft zorg voor de zaak van de Heer, hoe hij de Heer kan behagen. Maar de getrouwde heeft zorg voor aardse zaken en wil zijn vrouw behagen en zijn aandacht is verdeeld.’ Protestanten en anglicanen zijn het daar niet mee eens. Hun geestelijke voorgangers mogen trouwen en kinderen krijgen.

De celibaatsplicht in de katholieke Kerk kwam de voorbije jaren regelmatig onder druk naar aanleiding van de vele gevallen van seksueel misbruik van kinderen, al stellen geestelijke leiders dat er geen enkele connotatie bestaat tussen deze voorvallen en het celibaat.

Laatst bijgewerkt 15-02-2017