Autonomie en heteronomie betekenis & definitie

Autonomie en heteronomie zijn posities die betrekking hebben op het bindend karakter van morele voorschriften.

De eerste is dat moraal alleen maar bindend is wanneer men daarvoor een religieuze grondslag kan aanwijzen. Die positie staat bekend als het standpunt van de ‘heteronomie van de moraal’. De tweede positie is dat moraal en religie in die zin gescheiden zijn dat moraal, om verbindend te zijn, géén religieuze grondslag nodig heeft. Die positie noemt men de positie van de ‘autonomie van de moraal’. Aanhangers van deze twee verschillende posities kan men aanduiden als ‘autonomisten’ en ‘heteronomisten’.

De meest consistente uitwerking van de heteronome positie is een theorie die bekend staat als de ‘goddelijke bevelstheorie van de moraal’. Volgens deze theorie is een daad of een regel ‘goed’ wanneer die daad of die regel wordt bevolen door God. Een daad of een regel is moreel ‘slecht’ wanneer die daad of die regel wordt verboden door God. Volgens de goddelijke bevelstheorie van de moraal zijn dus de Tien Geboden niet ‘in zichzelf’ goed, maar alleen maar goed omdat God dit heeft bevolen. God zou, als hij dat gewild had, ook hebben kunnen bevelen dat het goed is om de vrouw van je naaste te begeren, te stelen of de ander te doden. Volgens het perspectief van de morele autonomie ligt het precies omgekeerd. De religie is niet de grondslag van de moraal, maar moraal is de grondslag van de religie. Anders gezegd: een religieus gebod is alleen maar aanvaardbaar voor zover het overeenstemt met de moraal.

Vanuit het perspectief van de morele autonomie zou men dan ook godsdiensten moeten doorlichten op de aanvaardbaarheid van hun geboden. Sommige goddelijke voorschriften kunnen dan worden geaccepteerd (‘Heb uw naaste lief’), maar andere niet (‘Dood de ketter en vermoord de afvallige’).

Laatst bijgewerkt 15-02-2017