Aflaten betekenis & definitie

Aflaten hebben betrekking op een systeem dat rond de 11de eeuw door de Kerk werd ingevoerd, waardoor mensen die gezondigd hadden, en na hun dood zouden terechtkomen in het vagevuur, een kwijtschelding (indulgentia) of ‘aflaat’ op hun straftijd konden krijgen.

Zo verleende paus Urbanus II tijdens het Concilie van Clermont in 1095 een volledige aflaat voor de deelnemers aan de eerste kruistocht. Maar zondaars konden ook op andere manieren hun tijd in het vagevuur inkorten, onder meer door een geldbedrag aan de Kerk te doneren, een bedevaart te houden, gebeden op te zeggen, enzovoort. Een kerk die relikwieën bezat bezoeken, leverde eveneens aflaten op. Zo kon men met een bezoek aan de kasteel­ kerk van Wittenberg 1.902.202 jaar en 270 dagen aflaat verdienen (er waren ongeveer 5.000 relikwieën); in de kathedraal van Halle, die er veel meer had, kon men zelfs 39.245.120 jaar en 220 dagen aflaat verdienen.2 Men begrijpt het toeristisch belang daarvan. In de dertiende eeuw verkocht paus Clemens iv aflaten voor de bouw van de Domkerk in Utrecht.

Het systeem van de aflaten werd tijdens de late Middeleeuwen steeds willekeuriger en vaak ronduit misbruikt door rondtrekkende predikers, priesters, bisschoppen en zelfs de paus. Er circuleerden vervalste documenten waarin lange periodes van aflaten werden voorgespiegeld en die men tegen betaling van een grote som geld kon afkopen. Op 31 oktober 1517 klaagde Luther met zijn bekende 95 stellingen op de toegangsdeur van de dom in Wittenberg het systeem van de aflaten aan. ‘Daarom wordt een groot deel van het volk bedrogen, wanneer hun met een groots gebaar zonder onderscheid de vrijspraak van alle straf beloond wordt,’ staat in stelling 26. ‘Iedere christen die oprecht berouw heeft, heeft een volkomen vergeving van straf en schuld, ook zonder aflaatbrieven,’ aldus stelling 36.

Laatst bijgewerkt 15-02-2017