Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 19-01-2019

Zenuwen

betekenis & definitie

Zenuwen - Nervi, de tot grootere of kleinere bundels vereenigde, door het geheele lichaam verbreide uitloopers der zenuwcellen, waarlangs indrukken in centripetale richting van de Peripherie naar de centraalorganen (hersenen, ruggemerg, ganglia) en omgekeerd de prikkels tot beweging centrifugaal worden voortgeleid. De zenuwen vormen met de centraalorganen het zenuwstelsel, hetgeen alle organen onder zijn invloed heeft, zoodat niet alleen zintuiglijke waarnemingen en willekeurige spierbewegingen, maar ook onwillekeurige spierwerkingen, de spijsvertering, bloedsomloop, ademhaling, secretie en excretie daardoor geregeld worden. Voor de laatste zes verrichtingen dient een eenigszins op zichzelf staand deel van het zenuwstelsel, dat uit het andere is ontstaan, nog op vele plaatsen door draden daarmede samenhangt, in den vorm van zenuwknoopen (ganglia) en fijne grijze draden vooral langs de wervelkolom en om de bloedvaten voorkomt en den naam van het vegetatieve of sympathische zenuwstelsel draagt, tegenover het grootere of animale zenuwstelsel (hersenen en ruggemerg), dat de zintuigswaarnemingcn en de willekeurige spierbewegingen beheerscht en voor het grootste deel uit witte bundels is opgebouwd. Alleen de centraalorganen bevatten de zenuwcellen, welke als de stations kunnen opgevat worden, waarvan de prikkels uitgaan of waar de gewaarwordingen tot bewustzijn komen, dus het wezenlijke van het zenuwstelsel uitmaken, en zich verspreid bevinden in de ganglia, in het H-vormig centrum van het ruggemerg en aan de oppervlakte van groote en kleine hersenen.

De zenuwcellen hebben een zeer varieerende grootte van 4 tot 135 μ (1 μ = 1/1000m-M.), zijn van verschillende gedaante (kogel-, peer-, spoel-, pyramidevormig, polygonaal, onregelmatig, stervormig, boomvormig) bezitten een zeer gecompliceerd protoplasma van fibrillairen bouw (neurofibrillen), waarin een cirkelronde, helder blaasvormige kern met duidelijke kernmembraan en 1 groote nucleolus voorkomt, en zijn voorzien van 2 soorten uitloopers of verlengsels, z.g. dendrieten (sterk boomvormig vertakte, protoplasmatische) en één neuriet of zenuwuitsteeksel, welke zich, weinig vertakt, vooral in de lengterichting uitbreidt en soms 1 M. lang kan zijn. De neurieten der zenuwcellen, die wij met telegraafdraden kunnen vergelijken, maken in kleiner of grooter aantal bij elkaar liggend en door verschillende omhullingen omgeven, een zenuw uit. Elke zenuwcel vormt met haar uitloopers een op zich zelf staand geheel, neuron geheeten, dat volgens de meest verbreide opvattingen geen direct verband met de andere zenuwcellen heeft, doch slechts door contact daarmede in verbinding komt. Wij zien hieruit, dat zenuwvezelen en dus ook z. nergens in het zenuwstelsel zelfstandig voorkomen, maar dat deze zelf de uitloopers der cellen zijn. Met het ongewapende oog zien wij, dat een zenuw uit verschillende kleinere bundels bestaat, die alle te zamen en elk afzonderlijk door bindweefsel omgeven worden. Het bindweefsel om de geheele zenuw heet epineurium, dat om eiken bundel perineurium. Iedere zenuwbundel wordt door het daarin dringende bindweefsel, endoneurium, weer in fijnere zenuwvezels verdeeld, die dus alle evenwijdig aan elkander verloopen. De zenuwvezel zelf heeft ook aanhaar omtrek een bindweefselomhulling.

Voor verder onderzoek moeten wij microtechniek en microscoop ter hulpe nemen. Op de bindweefselomhulling volgt, behalve bij de reukzenuwen, een fijn z g. neurilemma of de Schwannsche scheede met langwerpige concaaf convexe kernen. In het centraal-zenuwstelsel echter ontbreekt de Schwannsche scheede. Binnenwaarts hiervan volgt de dikkere, taaivloeibare, vetachtige mergscheede, myelinscheade, die vooral als isolator dienst doet. Deze, die niet continu voortloopt, heeft op regelmatige afstanden ringvormige onderbrekingen, Ranviersche insnoeringen, en bovendien binnen 2 Ranviersche insnoeringen enkele z.g. Schmidt-Lantermannsche inkervingen, die de myeline in cylindro-conische elementen verdeelt. Slechts bij het sympatische zenuwstelsel en bij jonge embryonen ontbreekt de mergscheede. Daarop volgt in het centrum liggend de door de Mautnersche membraan omgeven ascjlinder, die ononderbroken voortloopt, de neuriet van een zenuwcel is en met een eigenlijken telegraafdraad van den onderzeeschen kabel te vergelijken is. De ascylinder vertoont op de plaats der Ranviersche insnoeringen der mergscheede bikonische aanzwellingen, bij reductie met salpeterzuurzilver, dwarse streepjes, z.g. Frommansche lijnen en bezit een fribrillairen bouw.

De neurofibrillen, die het eigenlijk leidende apparaat uitmaken, zijn door een soort kitsubstantie, het neuroplasma, verbonden. Een zenuw vertoont dus groote overeenkomst met den onderzeeschen kabel, waarin eveneens talrijke geïsoleerde telegraaflijnen verloopen. Zenuwen, die centripetaal geleiden en dus voor het gevoel dienen, noemen wij sensibele, de centrifugaal geleidendo, de spieren innerveerende, motorische zenuwen; zenuwstammen, die beide soorten vezels voeren, gemengde z. De z. eindigen of beginnen microscopisch fijn met haar aseylinders en zich daaraan bevindende lichaampjes, nadat zij dus voor motorische z. dunner en dunner wordend, langzamerhand al haar omhullingen verloren hebben, of omdat zij voor sensibele z. eerst langzaam dikker en talrijker wordend, door de verschillende omhullingen worden bekleed. Zoo eindigen de motorische vezels in de spiervezels met z.g. spierschollen en beginnen de sensibele in de huid, gewrichten, periost, enz. vrij, in netten, met Merkelsche tastcellen, met Wagner-Meisnersche, Ruffinische, Vater-Pacinische, Grandrysche, Herbstsche lichaampjes. Op den weg naar het centraal zenuwstelsel vereenigen zich kleinere sensibele z. tot grootere en omgekeerd splijten de motorische zich in kleinere bundels, in de nabijheid der voor haar bestemde organen. Ook het witte manteldeel van het ruggemerg en het witte centrum van groote en kleine hersenen zijn niets anders dan talrijke naast elkander liggende slechts merghoudende vezels.

De z. worden, naarmate zij zich naar de hersenen of het ruggemerg begeven of daarvan uitgaan, verdeeld in hersenzenuwen, waarvan 12 paren voorkomen en ruggemergzenuwen, waarvan bij den mensch 31, zelden 32, paar aanwezig zijn, nl. 8 hals-, 12 borst-, 6 lenden-, 6 heiligbeen- en 1, zelden 2, staartzenuwen. Men noemt nog, in overeenstemming met de oude opvatting, dat de z. geheel uit hersenen en ruggemerg ontsprongen, den uit het ruggemerg komenden voorsten bundel, den voorsten of motorischen wortel, en den naar het ruggemerg zich begevenden, achtersten bundel, den achtersten of sensibelen wortel. Deze laatste bevat een ganglion intervertebrale, waartegen de motorische wortel zich aanlegt. Van het ruggemerg afgerekend, vereenigen zich de voorste wortel en de uit het ganglion komende sensibele bundel tot een korten, gemengden truncus communis. Deze verdeelt zich constant in 4 takken:

1. een voorsten tak, ramus anterior, die de grootste is, uitgezonderd bij de 1ste en 2de halszenuw, van gemengde natuur is en naar het ventrale deel van het lichaam en de extremiteiten gaat;
2. een achtersten kleineren, behalve bij 1ste en 2de halszenuw, eveneens gemengden tak, ramus posterior, welke zich naar het dorsale gedeelte van het lichaam begeeft;
3. een sensitieve ramus meningeus voor het harde hersenvlies in de wervels en de wervels zelf bestemd, die nog sympatische vezels opneemt;
4. een ramus communicans, welke tot verbinding dient met het nabijzijnde ganglion van het sympatische zenuwstelsel en ook sympatische vezels peripheerwaarts voert. De voorste takken der hals-, lenden- en heiligbeenzenuwen geven verbindingstakken aan elkander af, waardoor vlechten, plexus, ontstaan, die dus door de vlechtlooze borstzenuwen van elkander gescheiden zijn. Men onderscheidt een plexus cervicalis, plexus brachialis, plexus lumbosacralis.

Aangezien slechts in het bovendeel van het ruggemerg de plaats van uittreding der wortels uit het ruggemerg overeenkomt met de hoogte der voor hen bestemde foramina intervertebralia en de intervertebraalopeningen steeds meer caudaalwaarts liggen, hoe lager wij komen, moeten de lumbaal- en sacraalwortels nog geruimen tijd in den duraalzak verloopen, voordat zij daaruit treden op de hoogte van hun tusschenwervelopening. Men noemt dezen bundel wortels, welke aan het, bij de bovengrens van den 2en lumbaalwervel eindigende, ruggemerg hangt,den paardenstaart, cauda equina. Door middel van het vertakkingsgebied van de sensibele zoowel als van de motorische z. heeft men in den lateren tijd nauwkeuriger inzicht verkregen in den segmentalen bouw van mensch en dier. Alle hersenzenuwen, behalve de 1ste en 2de, de nervus olfactorius en de nervus opticus, welke feitelijk veranderde deelen van den primitieven hersenblaaswand zijn, kunnen tot het type der ruggemergzenuwen teruggebracht worden; sommige zijn echter geheel sensibel, of geheel motorisch, andere ook gemengd. De z. worden meestal benoemd naar de werking, die zij de spieren doen verrichten, de plaats, die zij innemen of de spier, welke zij innerveeren. Zie ook ZENUWWEEFSEL.