Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 17-01-2019

Wet

betekenis & definitie

Wet - Men onderscheidt wetten soms in wetten in materieelen en wetten in formeelen zin. Onder de eerste verstaat men die welke een regeling geven, welke van nature tot de taak der wetgevende macht behoort (zie WETGEVING). In tegenstelling met deze wetten zijn dan formeele die welke regelingen bevatten, welke eigenlijk tot de taak van een andere staatsmacht (zie TRIAS POLITICA), veelal van de uitvoerende macht behooren. Als voorbeelden van formeele wetten noemt men de begrootingswetten (art. 124 Grw.) en de naturalisatiewetten (art. 6 Grw.). — Terwijl men het woord „wetgeving” niet uitsluitend gebruikt, wanneer het het rijk, maar ook wanneer het de plaatselijke staatsorganen geldt, wordt het woord „wet” alleen gebruikt voor de van Koning en Staten-Generaal gezamenlijk uitgaande regelingen; bij prov., gemeenten en waterschappen spreekt men van verordeningen. — De wetten komen als volgt tot stand.

Voorstellen van wet kunnen uitgaan van den Koning en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (artt. 111,117 Grw.). Verreweg de meeste gaan vatt den Koning uit. Deze zendt zijn voorstellen aan de Tweede Kamer bij een schriftelijke boodschap of door een commissie (art. 111 Grw\). Voorstellen van de leden der Tweede Kamer worden aan den Voorzitter daarvan ter hand gesteld (art. 87 Regl. v. Orde). Aan de openbare beraadslagingen gaat altijd een onderzoek van het voorstel in de afdeelingen der Kamer vooraf, artt. 112 Grw., 20 R. v. 01). Soms heeft eerst nog een onderzoek plaats door een commissie van voorbereiding, terwijl er vaste commissies zijn voor bepaalde groepen van onderwerpen en bijzondere begrootingscommissies voor begrootingsvoorstellen. — Bij de openbare behandeling worden eerst algemeene beschouwingen gehouden, daarna wordt elk artikel afzonderlijk behandeld, terwijl ten slotte de eindstemming over het geheele ontwerp plaats heeft. — De Koning kan aan bijzondere, door hem aan te wijzen, commissarissen opdragen de ministers bij het behandelen van van hem uitgaande voorstellen in de vergaderingen der Staten-Generaal bij te staan, art. 111 Grw.). — De Tweede Kamer heeft het recht wijzigingen in de wetsvoorstellen aan te brengen (art. 113 Grw.; zie ook artt. 79 en vv. R. v. O. en het woord AMENDEMENT). — Is een wetsvoorstel, al of niet gewijzigd, door de Tweede Kamer aangenomen, dan zendt zij het met een bepaald formulier aan de Eerste Kamer.

Wordt een voorstel des Konings door de Tweede Kamer verworpen, dan geeft deze daarvan, ook met een bepaald formulier, aan den Koning kennis (art. 114 Grw.). — Het door de Tweede Kamer aangenomen voorstel, wordt door de Eerste Kamer overwogen. Ook hier gaat aan de openbare behandeling een afdeelingsonderzoek vooraf (art. 112 Grw.). — De Eerste Kamer mist het recht van Amendement. Zij moet het voorstel dus zooals het is aannemen of verwerpen. Artikelsgewijze behandeling heeft dan ook niet plaats. — Voorstellen van de Tweede Kamer uitgaande kunnen vanwege deze door een of meer harer leden in de Eerste Kamer schriftelijk of mondeling worden verdedigd (art. 118 Grw.). — Van al of niet aanneming geeft de Eerste Kamer met de daarvoor vastgestelde formulieren zoowel aan de Tweede Kamer als aan den Koning kennis (art. 115 Grw.). — Zoolang de Eerste Kamer nog niet heeft beslist, is de Koning bevoegd door hem gedane voorstellen weder in te trekken (art. 116 Grw.). — Over alle wetsvoorstellen moet het advies van den Raad van State worden ingewonnen (art. 75 Grw.). — Betreft het een voorstel des Konings, dan geschiedt dit alvorens het bij de StatenGeneraal wordt aanhangig gemaakt. Over voorstellen van de Tweede Kamer wordt advies ingewonnen nadat ze door beide Kamers zijn aangenomen. — Na aanneming van wetsvoorstellen door de Staten-Generaal, behoeven ze nog de bekrachtiging des Konings (art. 121 Grw.). Volgens art. 122 Grw. krijgen ze door deze kracht van wet. Verbindend worden ze echter eerst door de ook bij art. 122 Grw. voorgeschreven afkondiging (art. 2 A.B.).