Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 17-01-2019

Vrijhandel

betekenis & definitie

Vrijhandel - (Eng. freetrade) Zeer verschillend wordt gedacht over de vraag, of de handel zoo veel mogelijk moet worden vrijgelaten of dat deze in zijn vrijheid moet worden beperkt om de binnenlandsche voortbrenging voor mededinging van het buitenland te beschermen, in het bijzonder door de heffing van hooge invoerrechten. Velen, die bescherming wenschen, (de protectionisten) bepleiten, wat zij noemen, een rationeele handelspolitiek ter bevordering der binnenlandsche nijverheid (of landbouw). Vooral beoogen zij een gelijkmaking van de productievoorwaarden in binnen- en buitenland en behoud van binnenlandsch afzetgebied door wering van vreemde producten, die de markt overstroomen (vergel. DUMPING).

Door een plooibaar tarief van invoerrechten meenen zij ook voor den uitvoer gunstiger voorwaarden te kunnen scheppen dan bij vrijhandel mogelijk is. Daardoor toch kan men landen, die den invoer belemmeren, tot milder handelen bewegen door zelf met belemmeringen te dreigen. Bij het vrijhandelstelsel staat men tegenover het buitenland met, wat zij noemen, leege handen. Ten slotte zou de vrijhandel eigenlijk niet anders zijn dan bescherming van den handel tegenover landbouw en nijverheid, doordat de overheid aan den eerste door het aanleggen van havens, kanalen, enz. groote sommen ten koste legt. Hierop wordt van de zijde van de voorstanders van den vrijhandel (de vrijhandelaren) geantwoord, dat deze werken ook aan landbouw en nijverheid ten goede komen, dat door het tegenwoordig in vrijwel alle handelstractaten voorkomende beding van behandeling op den voet van meest begunstigde natie het behandelen van het eene land anders dan het andere nauwelijks mogelijk is en, voor zoover het dit wel is, toch zeer ongewenscht (tarievenoorlogen kunnen zelfs licht tot werkelijke oorlogen leiden). Zij wijzen er verder op, dat volkomen vrijhandel een zoo veel mogelijk doorgevoerde verdeeling van arbeid ook tusschen de volken mogelijk maakt, dat het in het belang eener ruime productie niet gewenscht is deze tegen te werken door de bescherming van bepaalde bedrijven, dat deze bescherming gaat ten koste van andere bedrijven, waaraan werkkrachten en kapitaal worden onttrokken, dat beperking van den invoer noodwendig ook den uitvoer moet belemmeren, daar verminderde invoer de wisselkoersen doet stijgen, dat bescherming het leven duur maakt, dat in beschermde bedrijven niet die energie wordt aangewend als in onbeschermde, dat bescherming van het eene bedrijf een streven, ook voor andere bedrijven bescherming te verkrijgen, uitlokt, dat bescherming van alle bedrijven geen bescherming meer is, dat ten slotte de beschermende invoerrechten als belasting zeer gebrekkig zijn, daar de consument, behalve hetgeen aan de schatkist ten goede komt, ook moet betalen de prijsverhooging van het binnenslands voortgebrachte. — Van protectionistische zijde wordt daartegen weder betoogd, dat dure landen niet steeds de minst welvarende zijn, dat een verstoring van den betalingsbalans door verminderden invoer zich niet juist door vermindering van den uitvoer behoeft te herstellen, enz. Sommigen bepleiten protectie slechts als tijdelijk middel om de industrie door haar eerste moeilijke jaren heen te helpen. Hiertegenover wijzen de vrijhandelaren er echter op, dat eens bestaande bescherming moeilijk kan worden opgeheven, wanneer alles zich eenmaal aan haar heeft aangepast. — De meeste vrijhandelaren verzetten zich niet tegen alle grensrechten, mits ze zeer matig zijn, al betreuren zij het, dat daaraan steeds eenige bescherming verbonden is.

De protectionisten echter wenschen de invoerrechten juist om hun beschermende werking. Zij moeten wenschen, dat die rechten weinig opbrengen, daar dit blijk geeft, dat ze doel hebben getroffen. Tegen hooge invoerrechten van artikelen, welke, binnenslands geproduceerd, aan een accijns van gelijke hoogte zijn onderworpen, hebben de vrijhandelaren als zoodanig in het geheel geen bezwaar; hier toch is van bescherming geen sprake. — Een streven naar vrijhandel is het eerst tot uiting gekomen bij de Physiocraten en werd later door Adam Smith en zijn volgelingen overgenomen. Vooral in Engeland heeft het beginsel van vrijhandel grooten invloed op de handelspolitiek weten te krijgen. In het bijzonder door Richard Cobden werd in die richting veel bereikt.

Aan het einde der 19e eeuw trad in de meeste landen een sterke reactie in protectionistischen geest in, in Duitschland vooral onder leiding van Fr. List. Engeland, Nederland en Noorwegen bleven tot dusverre echter aan den vrijhandel vasthouden. — Hier te lande wordt voor den vrijhandel steeds krachtige propaganda gemaakt door de vereeniging „Het Vrije Ruilverkeer”. Zie ook INVOERRECHTEN, FAIR TRADE, enz.