Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 17-01-2019

Vorstenlanden

betekenis & definitie

Vorstenlanden - worden genoemd de residenties Soerakarta en Djokjakarta op Java, omdat dit de beide eenige residenties op Java zijn, welke uit zelfbesturende Inlandsche rijkjes bestaan, n.l.: Soerakarta uit het rijk van den Soesoehoenan en het prinsdom Mangkoenegaran, Djokjakarta uit het gebied van den Sultan en het prinsdom Pakoe-alaman ; de kratons liggen twee aan twee op de resp. hoofdplaatsen. Men heeft een paar enclaves van den Soesoehoenan en één van Prins Mangkoenegara in Djokja, en eenige kleine enclaves van den laatste in Soerakarta. De V. zijn het eenige overblijfsel van het oude rijk van Mataram, dat in 1831, na den opstand van Dipô Negôrô zijn laatste inkorting onderging ; in 1757 werd de Mangkoenegaran, in 1812 de Pakoealaman gevormd. — Hoewel het voortdurende streven van de Ind. Regeering geweest is, de macht der Inl. vorsten op Java te beperken en hun rechten te verminderen, vindt men toch op allerlei gebied in de V. nog toestanden, die afwijken van hetgeen elders op Java wordt aangetroffen.

In de eerste plaats zijn de residenties Soerakarta en Djokjakarta geen locale ressorten (zie DECENTRALISATIEWET); daarentegen is elk der vier rijken een rechtspersoon met eigen geldmiddelen en eigen begrooting. De bevolking bestaat voor een groot deel uit Vorstenlandsche Javanen, die vorstenonderhoorigen zijn, terwijl Javanen van elders, andere Indonesiërs, Chineezen, enz. gouvernementsonderhoorigen zijn; de hiervoor noodige, dubbele bestuursorganisatie staat in elk der residenties onder het gezag van den resident. Verschillende bestuursambtenaren in de V. dragen andere titels dan in de Gouvernementslanden; de regenten hebben er een lagere positie dan de overige regenten op Java. — In het Soesoehoenans- en het Sultansrijk zijn rijksraden ingesteld, bestaande uit aanzienlijke Javanen. Terwijl vroeger de inheemsche rechtspraak gedeeltelijk in stand was gelaten, is deze sedert 1917 bijna geheel verdwenen. De twee belangrijkste verschillen tusschen de V. en de Gouvernementslanden op Java waren tot voor kort de toestand van het landbezit en de positie der Inl. dorpen. Volgens de meest gehuldigde theorie behoorde het land aan den Vorst, die het als het ware in deelbouw gaf aan den landbouwer, zoodat, na aftrek van ⅕ van de opbrengst voor den bekel of rentmeester, de landbouwer ⅖, de Vorst ⅖ van de opbrengst kreeg. (De meening van Prof. v. Vollenhoven is, dat feitelijk het recht van den Vorst zich beperkte tot ’t heffen van — langzamerhand exorbitant geworden — belastingen, en ’t vorderen van diensten van de ontginners en bewerkers der gronden).

In veel gevallen echter droeg de Vorst zijn rechten over aan apanagehouders of patoeh’s — familieleden of ambtenaren van den Vorst. Op dit apanagestelsel is de landverhuur aan Europeanen gevestigd, die geleid heeft tot een bloeiende cultuur van allerlei gewassen voor de Europ. markt, maar voor de Inlanders tal van nadeelen heeft meegebracht. (Zie LANDVERHUUR IN DE VORSTENLANDEN OP JAVA). Uit deze laatste overweging is men sedert 1912 begonnen het agrarische stelsel in de Vorstenlanden totaal te hervormen, door afschaffing van het apanagestelsel, en invoering van hetgeen op agrarisch gebied in de Gouvernementslanden bestaat, dus vorming van werkelijk grondbezit voor de bevolking, enz. In het nauwste verband met deze hervorming staat die van de Inl. dorpen in de V. Tot 1912 alleen maar complexen van woningen, geen rechtsgemeenschappen, werden zij sedert geleidelijk veranderd in Inl. gemeenten als de overige Javaansche dèsa’s, met een dèsahoofd en dèsa-bestuurders, communale gronden, enz. (Zie DÉSA (JAVAANSCHE)). — Terwijl dus successievelijk de verschillen tusschen den toestand in de V. en dien op ’t overige Java aan ’t verdwijnen zijn, vormen de V. nog altijd voor den Javaan het middelpunt van het echt-Javaansche leven. — Litt.: Het art. Vorstenlanden in den 1sten en den 2den druk der Encycl. van Ned. Indië.