Oosthoek encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Gepubliceerd op 17-01-2019

Uittocht

betekenis & definitie

Uittocht uit Egypte. Slechts een gedeelte van de stammen, die later tot Israël behoorden, hebben in Egypte vertoefd; bij den uittocht (Grieksch: éxodus) trok ook veel vreemd volk, niet-Israëlieten, mee: Exod. 12, 38. Vroeger hield men Ramses II (1292—25) voor den farao der verdrukking en diens zoon Mernefta (1225—15) voor den farao van den uittocht.

Dit is wel onjuist: Israëls verdrukker was Thoetmes III (1501—1447); de uittocht moet waarschijnlijk geplaatst worden onder den weinig bekenden koning Amenófis II (± 1440). Zie ELAMARNA-TIJD en EXODUS-VRAAGSTUK.