Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 17-01-2019

Uitloopers

betekenis & definitie

Uitloopers noemt men de dunne, draadvormige, kruipende stengels, die door sommige planten worden voortgebracht. Onder de cultuurgewassen is het vooral de aardbei, welke door het bezit van dergelijke stengels gekenmerkt is. Deze zijn, evenals andere stengels, in het bezit van knoppen. En nu is het een eigenaardigheid van de u. der aardbeien, dat die knoppen al heel spoedig uitloopen tot een gewonen, gedrongen aardbeistengel met een roset van bladeren en dat die gedrongen stengel aan zijn voet, terwijl hij nog met den u. verbonden is, wortels vormt.

Wordt zoo’n gewortelde stengel van den uitlooper gescheiden en afzonderlijk geplant, zoo kan hij zich als een zelfstandige aardbeiplant verder ontwikkelen. Het is dan ook een algemeen gebruik, om de u. van de aardbei te gebruiken als middel, om dit gewas ongeslachtelijk te vermenigvuldigen, iets, wat bij de teelt nogal van belang is, aangezien de verschillende aardbeisoorten bastaarden zijn en dus door zaad niet zuiver vermeerderd kunnen worden. Ook vele andere planten brengen u. voort, zooals de in het wild groeiende Hondsdraf (Glechoma hederacea), die door middel daarvan in de natuur in aantal toeneemt. En eigenlijk zijn de stolonen, waaraan de aardappelknollen groeien, ook niet anders dan onderaardsche u., welke hun gedrongen stengels in den vorm van de bekende knollen voortbrengen.