Oosthoek encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Gepubliceerd op 17-01-2019

Toonkunst

betekenis & definitie

Toonkunst - de kunst, die haar producten vormt uit de meest immaterieele factoren: de vluchtige klanken, door regelmatige geluidstrillingen ontstaan. De neiging tot, de behoefte aan de t. is allen volkeren, zelfs den minst beschaafden en ontwikkelden eigen. Natuurlijk staat hun muziek gewoonlijk in gelijke verhouding tot den graad van hun beschaving. De meest primitieve uiting op ’t gebied der t. is het rythmisch geregelde geruisch (klappen in de handen, stampen met den voet, slaan op houten of metalen geluidmakende voorwerpen).

Al spoedig moest daarop de ontdekking volgen, dat met het ééne materiaal veel beter geluid kon worden voortgebracht dan met het andere; het begrip van klankverschil ontwikkelde zich, en daarmee — onvermijdelijk gevolg! — dat van toonhoogte. De tonen, al naar gelang van hun hoogte, verschillend geschikt, gaven de eerste — primitieve — melodie: de éénstemmige volksmuziek was geboren. Die éénstemmigheid — het wordt algemeen aangenomen — heeft langen tijd onbeperkt geheerscht; schuchtere pogingen twee verschillende tonen tegelijk te laten klinken, openden het uitzicht op een onbeperkt, nog met ontgonnen gebied. Op dit gebied, dat ijverig doorzocht en naarstig bearbeid werd, ontwikkelde zich de contrapuntisch-veelstemmige kunst der Middeleeuwen. Gelijken tred had hiermede gehouden, het vervaardigen en het steeds meer volmaken der speeltuigen. De snaarinstrumenten, waarvan een aantal variëteiten bestonden, werden meer getokkeld dan met een strijkstok bespeeld; de blaasinstrumenten — nog talrijker — werden vervaardigd in „koren” (familiën van éénzelfde type), waardoor het mogelijk was, hetzelfde timbre voort te brengen in de, met de menschelijke stem, overeenkomende registers.

De zoo ijverig toegepaste meerstemmigheid (polyphonie) leidde als vanzelf tot de erkentenis van de accoorden en de toongeslachten, gebaseerd op de onderlinge verhouding der tonen, die weer onwrikbaar vast stond op de eeuwige natuurwet van de trillingsverhoudingen. Toen éénmaal (begin 17de eeuw) de dramatische t. was geboren, het begeleide éénstemmig zingen (Monodie) naast de meerstemmigheid zijn recht wist te handhaven, en de vervaardiging van de strijkinstrumenten door de groote Italiaansche meesters tot de hoogste volmaaktheid was opgevoerd, waren alle factoren aanwezig, waarmee de klassieke t. kon worden opgebouwd. Zij toont het merkwaardige verschijnsel van een kunst, die in een kort tijdsbestek (3 a 4 eeuwen) zich van een primitief begin opwerkt tot het schijnbaar hoogst bereikbare punt. Sedert het eind der 19de eeuw doen zich de teekenen voor van sterk-revolutionnaire neigingen bij de beoefenaren der t.; de op de natuurwetten gebaseerde regelen worden overtreden; in plaats van het scherp-omlijnde harmoniesysteem, komen de poly-tonale en atonale stelsels, die vurige aanhangers, maar ook felle bestrijders vinden. De edele aard der t. geeft recht te hopen, dat zij niet zal ondergaan in deze revolutionnaire beweging, maar gelouterd daaruit zal opstijgen tot nieuw leven.