Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 17-01-2019

Titel

betekenis & definitie

Titel - 1) toevoeging aan iemands naam (baron, doctor, enz.), waarop men aanspraak heeft op grond van geboorte, stand, ambt of promotie. Zie voor de tegenstelling tusschen titel en praedicaat onder ADEL.

2) Opschrift van een boek of hoofdstuk.
3) Onderdeel van een wetboek.
4) Rechtsgrond, in het bijzonder ten aanzien van bezit. Zoo onderscheidt de wet in art. 2000 B. W. ten opzichte van verjaring bezit krachtens wettigen titel (Lat. justo titulo) en bezit zonder titel. Zie ook art. 2004 B. W. (schuldbevrijding door verjaring) en art. 2014 B. W.: Met betrekking tot roerende goederen, die noch in renten bestaan, noch in inschulden, welke niet aan toonder betaalbaar zijn, geldt het bezit als volkomen titel (Fr. en fait de meubles possession vaut titre).
5) Bewijsstuk, waaruit van eenig recht blijkt. Zoo moeten volgens artt. 743, 760, 767, 784, 807 en 865 B. W. de titels van aankomst der daar genoemde zakelijke rechten in de openbare registers worden overgeschreven.
6) Men onderscheidt verkrijging onder algemeenen en onder bijzonderen titel, naar gelang het verkregene in algemeene termen (b.v. het geheel of een evenredig deel eener nalatenschap of van een vermogen) of met opsomming van de voorwerpen, waaruit het bestaat, wordt aangeduid. Verkrijging onder algemeenen titel heeft b.v. plaats bij erfstelling, bij bijz. titel bij legaat. Zie ook art. 1658 B. W., dat maatschap omvattende het geheele vermogen der vennooten onder algem. titel uitsluit.
7) Ten slotte spreekt men van rechtshandelingen onder bezwarenden titel (Lat. titulo oneroso) in tegenstelling met handelingen om niet. Zie b.v. artt. 1350, 1812, 1818, 1995 B. W.