Tabak betekenis & definitie

Tabak, de bladeren van verschillende soorten van Nicotiana, als genotmiddel in gebruik. De bewoners van Amerika, waar de meeste soorten van N. inheemsch zijn, hebben de t. reeds lang vóór de ontdekking van Amerika over bijna het geheele continent verbouwd, om de gedroogde bladeren op verschillende wijzen als genotmiddel te gebruiken. Op de W.-Indische eilanden, waar Columbus het eerst landde, werden de bladeren opgerold en, in een maïsblad gewikkeld, op de wijze van sigaren gerookt. Dezen rollen gaven de Indianen een naam, waarvan de Spanjaarden tabaco hebben gemaakt, welke naam later op de plant is overgebracht.

De Spanjaarden namen het gebruik van het rooken over, en begonnen op St. Domingo t. te verbouwen. Dit voorbeeld volgden al spoedig de Portugeezen in Brazilië en de Engelschen in Virginia. Omstreeks 1550 werd de plant als curiositeit in Portugal gekweekt; vandaar werden zaden door den Franschen gezant Jean Nicot in 1560 naar Parijs overgebracht. Naar Nicot heeft de botanicus Dalechamps in 1568 in zijn Historia plantarum de plant Herba Nicotiana genoemd, welke naam door Linnaeus als geslachtsnaam is overgenomen. In het einde van de 16de eeuw kwam het rooken van t. uit pijpen in zwang als pijnstillend middel tegen tandpijn; pas in den loop van de 17de eeuw wordt tabakrooken meer en meer als een genot beschouwd en beoefend, ondanks de heftige bestrijding van vele zijden. Het snuiven nam in den loop van de 18de eeuw onder alle lagen van de bevolking sterk toe, terwijl het „pruimen” zich vooral onder het scheepsvolk verbreidde. Reeds tegen het einde van de 16de eeuw was het rooken uit steenen pijpen zeer populair in Spanje, Portugal, Engeland en de Nederlanden.

In 1615 begon men t. in Nederland te verbouwen; in het midden van de 17de eeuw strekte zich de aanplant al tot in den Elzas uit, spoedig ook tot diep in O.-Europa en in de Levant. De Portugeezen brachten de t. in 1605 naar Japan, van waaruit zich cultuur en gebruik snel over O.-Azië verbreidden. Omstreeks denzelfden tijd is ook de t. in de Soenda-eilanden gebracht. In 1650 treft Rumphius reeds overal het gebruik aan, zelfs op eilanden, waar de Portugeezen nooit waren geweest. De soort, die het meest als genotmiddel wordt gebruikt is Nicotiana Tabacum, een plant met zittende, spitse bladeren en rose bloemen. Veel minder wordt gebruikt N. rustica, met gesteelde stompe bladeren en groene bloemen. Deze laatste wordt vooral aangeplant op de Balkan en in Kl.-Azië, daar zij zeer dunne bladeren heeft, die vooral voor sigaretten geschikt zijn. Ze komt als Turksche tabak in den handel. — De t. is een tropisch gewas.

Niettemin wordt zij ook in koelere klimaten met succes geteeld. Dit is mogelijk, doordat het gewas zich na het uitplanten op het vrije veld in zeer korten tijd ontwikkelt en ook onze zomers daarvoor voldoende lang en warm zijn. Toch wordt een uitstekend product met een laag nicotinegehalte slechts in warme gewesten verkregen, ongeveer tusschen 35° ten Noorden en ten Zuiden van den evenaar. Belangrijke tabak-produceerende landen zijn de Ver. Staten v. Amerika (vooral Kentucky, Virginië, Noord-Carolina, Tennessee en Maryland), Nederlandsch Indië (Java, Sumatra), Japan, Brazilië, Aziatisch Turkije, Cuba, de Philippijnen, Mexico, Argentinië, Portorico, enz. Engelsch Indië, dat veel produceert, voert bijna niets uit. In Europa is de teelt van vrij groote beteekenis in Hongarije, West-Rusland, Servië, Turkije, Griekenland en Z.-Duitschland. Ook in ons land werd vroeger betrekkelijk veel t. verbouwd.

Door de lage marktprijzen is de teelt echter langzamerhand sterk verminderd; van 2130 H.A. in 1856 tot 376 H.A. in 1914, waarvan 233 H.A. in Gelderland (Over-Betuwe) en 176 H.A. in Utrecht (Rhenen, Amerongen en Leersum). De eens zoo bloeiende teelt bij Amersfoort en Nijkerk behoort tot de geschiedenis. — Enkele bijzonderheden omtrent de cultuur in ons land zijn de volgende. De zeer fijne zaadjes worden ongeveer 1 April in broeibakken uitgezaaid. Intusschen wordt het land, waarop de plantjes later zullen worden uitgepoot, met veel zorg bewerkt en bemest. Vooral wordt een sterke stikstof- en kalibemesting gegeven, overeenkomstig de samenstelling der plant. Nimmer mogen chlorieden gegeven worden, wijl daardoor de brandbaarheid der t. zeer wordt geschaad. Eertijds werd bijna uitsluitend schapenmest gebruikt, tegenwoordig ook met succes kunstmeststoffen. Het tabaksland wordt in vakken van 2½ a 3 Aren verdeeld; ieder vak wordt op bedden van ± 50 c.M. gelegd met paden van 40 c.M. er tusschen.

Meestal wordt rondom de vakken een heg van pronkboonen gekweekt, om de tabaksplanten voor windbeschadiging te beschermen. Half Mei—begin Juni worden de plantjes uit de bakken op de bedden overgebracht, op ongeveer 30 c.M. afstand van elkaar in 2 rijen op ieder bed. 4 of 5 weken na ’t verpoten worden de planten getopt, zoodat zij 12 a 15 goed ontwikkelde bladeren overhouden. De later verschijnende zijstengels in de oksels worden zorgvuldig verwijderd. De bladeren worden in perioden geoogst. De onderste, het z.g. „zandgoed”, zijn tegen Augustus rijp; daarop volgt het „aardgoed” en ten slotte de bovenste of het „bestgoed”. De geoogste bladeren worden aan hun voet in de middennerf gespeten en op spijlen geregen in de droog- of tabaksschuren gehangen om te drogen. Zijn ze na herhaalde bewerkingen droog, dan worden de bladeren in bossen van 1—2½ K.G. gebonden en aan den tabakshandelaar verkocht. Diens werkzaamheden bestaan in het fermenteeren (broeien), sorteeren en ten slotte verpakken in balen of manden en afleveren aan den tabaksfabrikant.

De opbrengst bij ons per H.A. is gemiddeld 2000—2500 K.G. droge tabak, waarvan 500—700 K.G. zandgoed, 600—800 K.G. aardgoed, 1000—1500 K.G. bestgoed en 100—200 K.G. uitschot. Onze inlandsche t. wordt voor ’t grootste deel gebruikt in Engeland voor de fabricatie van kerf- en rooktabak. De t., die in Ned. Indië wordt gekweekt, behoort uitsluitend tot Nicotiana Tabacum, doch men kan verschillende cultuurvariëteiten onderscheiden. De tabaksvariëteiten voor de Europeesche markt zijn na 1830 uit Havana, de Philippijnen, San Domingo en andere plaatsen in Ned. Indië ingevoerd en sterk onder elkaar gekruist. De groote centra zijn: 1e. Deli, waar men uitsluitend dekblad kweekt, 2e.

Djěmběr, waar men zooveel mogelijk Deli-tabak kweekt, doch in de hooge landen ook door kruising typen tracht te krijgen, die in kwaliteit en opbrengst zoo dicht mogelijk bij Deli-tabak komen. Men plant daar de Kědoe- en Banjoemas-tabak; niet alleen voor dekblad, maar ook voor binnenwerken omblad, 3e. de Vorstenlanden, waar men geen Deli-tabak meer kweekt, doch aparte variëteiten. Slechts een deel van den oogst wordt voor dekblad gebruikt. Verder zijn van eenig belang de residenties Probolinggo, Kediri, Pasoeroean, Banjoemas, Rembang, Kedoe en Semarang, buiten Java Amoentai en Sambas op Borneo. T. voor de inl. markt wordt in den geheelen Archipel gekweekt, doch vooral in Besoeki en Kedoe en in de Ranau-districten op Sumatra. Overal past men wisselcultuur toe; in Deli beplant men den grond maar eens in 6—8 jaar met t.; in de Vorstenlanden volgen in den tijd van twee jaar op elkaar drie rijstoogsten, een tijd van grondbewerking en een tabaksoogst. In Djěmběr komen op vele ondernemingen terreinen voor, waarop jaar in jaar uit in den Oostmoesson t. wordt verbouwd. Men zaait het zeer fijne zaad op speciale zaadbedden uit; na 1 tot 1½ maand worden de kiemplanten op het zorgvuldig bewerkte veld uitgezet in een bepaalde volgorde, waarbij men de jonge plantjes meestal eenigen tijd door schaduwplankjes tegen te felle bestraling beschut.

Tijdens den groei wordt aangeaard om sterkere wortelvorming te bevorderen. Na 6 weken is de plant dan meestal 2½ M. hoog en heeft zij 20—40 groote bladeren. Meestal wordt dan de top met de jonge bloemen verwijderd om de bovenste bladeren krachtiger te doen worden; in de Vorstenlanden laat men den „boom” tegenwoordig veelal tot bloei komen. De bladeren, die op verschillende hoogte aan de plant zitten, hebben verschillende eigenschappen en dragen ook verschillende namen. De onderste 4 heeten zandblad; zij zijn klein, tamelijk grijs getint en zijn op de markt tegenwoordig zeer gewild. De volgende 8—10 heeten voetblad; zij zijn grooter, worden bruiner; dan komen de 6—10 middenbladeren, die nog stugger zijn en dus minder waard; vervolgens komen 4—8 topbladeren en eindelijk de bovenste bladeren, die men wegens hun ongeschiktheid voor dekblad in Deli niet eens oogst. In andere streken is de indeeling een weinig anders en oogst men de hoogste bladeren wel mee. Tegenwoordig worden de rijpe bladeren meestal van de plant afgebroken; vroeger kapte men wel den geheelen „boom” om, waarbij de geheele plant met bladeren en al in de droogschuur werd gehangen.

Wanneer de bladeren van de tabaksplant geplukt zijn, worden zij aan bossen van 50 geregen (om en om, ten einde het oprollen tegen te gaan) en zoo opgehangen aan het latwerk van de groote droogschuren. Zij krijgen dan na eenige weken hun bruine tint en drogen bijna geheel uit. Daarna komen zij in de fermenteerschuren, waar zij op hoopen aan zichzelf wordt overgelaten. Zij gaan dan gisten, althans er ontwikkelt zich warmte; aan de temperatuur kan dan ook de voortgang van het proces worden gecontroleerd. Op gezette tijden worden de stapels gekeerd, totdat het proces ten einde is geloopen (na eenige maanden). Het goede aroma is dan eerst ontstaan. Daarop volgt de sorteering naar gaafheid, kleur en grootte en het aaneenbinden van de afzonderlijke soorten tot bossen. Een volledige code van letters duidt alle eigenschappen aan, die voor den kooper van belang zijn.

Zoo ontstaan de merken, die men tenslotte op de balen van 80—100 K.G. aantreft. Voor den handel is van groot belang, of het blad bruikbaar is als dekblad, of slechts voor het binnenwerk kan dienen. Voor het eerste doel moet het fijn van structuur, gaaf en buigzaam zijn, en per K.G. een zoo groot mogelijk oppervlak hebben, dus dun zijn. De productie van Ned. Indië is tegenwoordig zeer belangrijk. In 1916 leverden de Vorstenlanden 11 millioen K.G. tabak voor de Europeesche markt.