Sterrewacht betekenis & definitie

Sterrewacht - (observatorium), gebouw, ingericht tot het doen van sterrekundige waarnemingen. Vroeger deed men zoodanige waarnemingen bij voorkeur op hooge torens. Daar echter de trillingen, waaraan hooge gebouwen blootstaan, nadeelig werken op de juistheid der waarnemingen, stelt men tegerfwoordig de instrumenten zoo laag mogelijk boven den beganen grond op ; natuurlijk dient men een punt te kiezen, dat naar alle zijden een onbelemmerd uitzicht op den horizon biedt; ook moet de atmosfeer zooveel mogelijk vrij zijn van uit den grond opstijgende dampen of van rook uit fabrieken, zoodat de nabijheid van moerassen, drukke steden, enz. vermeden wordt. Het beste wordt aan alle eischen voldaan, door de s. op een niet te hoogen berg te bouwen.

Elke s. is voorzien van een aantal sterrekundige instrumenten, verschillend naar de uitgebreidheid der inrichting en naar de bijzondere soort van waarneming, waarvoor zij bestemd is, alle met de meeste zorg opgesteld. De voornaamste dezer instrumenten zijn: de meridiaancirkel, het universaal instrument, de parallaktische kijker, de heliometer. Men zie de afzonderlijke artikelen en verder bij STERREKUNDIGE INSTRUMENTEN. Vooral voor den meridiaancirkel, die de fundamenteele waarnemingen levert, moet buitengewone zorg aan de stevigheid der opstelling besteed worden; het dak der „meridiaanzaal” heeft een breede klep Noord—Zuid, die den meridiaancirkel veroorlooft, bij draaiing om zijn Oost—West gerichte as den heelen meridiaan te overzien. De andere genoemde instrumenten moeten naar alle zijden waarnemingen kunnen verrichten ; zij zijn geplaatst in koepels met een breede spleet, die naar alle windrichtingen kan gedraaid worden. De parallaktische kijker is vaak voor fotografisch werk bestemd en dan als tweelingkijker ingericht. (Zie LEIDKIJKER). Een onmisbaar instrument voor elke s. is verder een slingeruurwerk, aan welks nauwkeurigheid de hoogste eischen worden gesteld. — Tot de meest bekende s. behooren die van Uranienborg op het eiland Hven (opgericht 1576), Greenwich (1675), Parijs (1671), Pulkova bij Sint Petersburg (1839), Kaap de Goede Hoop (1820), Harvard College bij Boston (1840) en de Lick-S. (1876) waarvan een afbeelding bij dit art. is gevoegd.

Sedert een halve eeuw is naast de oude Astrometrie de Astrophysika meer en meer op den voorgrond getreden. Zij wordt op de oudere S. ijverig beoefend, maar bovendien zijn er speciale astrofysische observatoria (o. a. te Potsdam, te Meudon bij Parijs, op Mount Wilson in Californië), waar men behalve een parallaktischen kijker ook allerlei voor sterrekundige waarneming ingerichte fysische instrumenten vindt, fotometers, spectrografen, spectroheliografen, enz. Hieronder volgen eenige bijzonderheden omtrent de Nederl. sterrewachten.

1. Leiden. De s., die van 1632—1861 boven op het Akademiegebouw was gevestigd, is in 1861 overgebracht naar het tegenwoordige gebouw, gelegen in de nabijheid van den Akademischen plantentuin en ingericht overeenkomstig de plannen van den hoogleeraar F. Kaiser. De s. ondergaat thans (1922) een groote uitbreiding. Directeur, tevens Chef der theoretische afdeeling, is sinds 1919 Prof. Dr. W. de Sitter; onderdirecteur voor de astrofysische afdeeling is Prof. Dr. E. Hertzsprung; het onderdirecteurschap voor de astronomische afdeeling is door het overlijden van Prof.

Dr. J. C. Kapteijn (1922) vacant geworden; conservatoren zijn J. Weeder en Dr. J. Woltjer Jr.; observatoren Dr. H. J. Zwiers en C. H. Hins; assistent W. H. van den Bos. Publicatie : „Annalen der Sternwarte in Leiden”, I—XIV; het eerste deel verscheen in 1868. De voornaamste onderzoekingen liggen op het gebied der theoretische sterrekunde, der astrofysika en der meridiaanwaarnemingen.

2. Utrecht. De s., die van 1642—1853 op den Smeetoren was gevestigd, werd in 1863 overgebracht naar het bolwerk Zonnenburg. Directeur is sinds 1898 Prof. Dr. A. A. Nijland ; observator Dr. J. v. d. Bilt. Voornaamste onderzoekingen : veranderlijke sterren, plaatsbepaling van kometen en planetoïden. Publicatie : „Recherches astronomiques de l’observatoire d’Utrecht” ; de twee eerste deelen verschenen in 1861 en 1864 ; de deelen III—VII in de jaren 1908—1917. Van Mei tot November worden aan de Utrechtsche s. sedert 1898 geregeld zeeofficieren gedetacheerd, ten einde zich voor de taak van commandant van een opnemingsvaartuig in Nederlandsch-Indië te bekwamen.
3. Groningen. Hier bestaat geen eigenlijke s., maar het „Sterrekundig Laboratorium Kapteijn”, aldus genoemd naar zijn stichter J. C. Kapteijn ; het werd in 1896 geopend. De instrumenten zijn in hoofdzaak werktuigen ter uitmeting van hemelfotografieën; de voornaamste onderzoekingen betreffen den bouw van het stelsel der vaste sterren. Directeur is Prof. Dr. P. J. van Rhijn; assistent J. H. Oort. Van de „Publications of the Astronomical Laboratory at Groningen” verschenen sedert 1900 31 deelen.
4. Valkenburg. Het Ignatius-college der paters Jezuïeten heeft een kleine s., opgericht in 1896, die onder leiding van M. Esch S. J. staat, en die zich hoofdzakelijk op de waarneming der veranderlijke sterren toelegt. 5. Utrecht. In 1920 werd als onderdeel van het Physisch Laboratorium een Heliofysisch observatorium opgericht, bestemd voor het onderzoek der zonneverschijnselen. Directeur is Prof. Dr. W. H. Julius ; observator Dr. M.Minnaert.