Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 17-01-2019

2019-01-17

Schenking

betekenis & definitie

Schenking - De wet erkent geen andere schenkingen dan die onder levenden (art. 1703 B. W., zie ook art. 1716). Zie voor bevoordeelingen na overlijden UITERSTE WILSBESCHIKKING. Afgezien van giften van hand tot hand, van roerende lichamelijke voorwerpen of van schuldvorderingen aan toonder, welke door overgave zonder meer tot stand komen (art. 1724 B. W.), moeten schenkingen in engeren zin op straffe van nietigheid (zie FORMEELE OVEREENKOMSTEN) bij notarieele akte worden gedaan (art. 1719 B. W.). Zij zijn eerst bindend na aanneming van de zijde van den begunstigde, welke eveneens bij notarieele akte moet geschieden (art. 1720 B. W.). (Zie voor de vestiging, bij wijze van schenking, van een lijfrente ten behoeve van een derde art. 1815 B. W.).

Een in den vorm nietige schenking kan niet door een latere akte worden bevestigd ; de schenking zal in dat geval alsnog in den vorm moeten plaats hebben (art. 1930 B. W.). De bevestiging, bekrachtiging of vrijwillige nakoming door de erfgenamen of rechtverkrijgenden van den schenker na diens overlijden, ontneemt hun echter de bevoegdheid zich daarna alsnog op eenig gebrek in den vorm te beroepen (art. 1931 B. W.). De algemeene beperkingen in de handelingsbevoegdheid, welke voor de z.g.n. personae miserabiles gelden, zijn ook van kracht voor het doen (art. 1714 B. W.) en aannemen (artt. 1721, 1722 B. W.; zie voor giften aan minderjarigen ook art. 460) van schenkingen. Staande huwelijk zijn schenkingen tusschen echtgenooten verboden, behalve indien ze betreffen roerende, lichamelijke voorwerpen, waarvan de waarde in aanmerking van de gegoedheid des schenkers niet bovenmatig is (art. 1715 B. W.). Schenkingen, welke aan een wettelijk erfdeel te kort doen, kunnen worden tenietgedaan (art. 967 B. W.). Alle vervreemding van eenig goed, hetzij onder den last eener lijfrente, hetzij met voorbehoud van vruchtgebruik, aan een der erfgenamen in de rechte linie gedaan, worden daarbij beschouwd als een gift (art. 969 B.W.). Ook schenkingen, gedaan door den schenker, wetende, dat hij daarmede zijn schuldeischers benadeelde, zijn nietig (art. 1377 B. W.; zie PAULIANA). Sch. mag alleen de tegenwoordige goederen van den schenker omvatten. Indien ze toekomstige goederen bevat, is ze te dien opzichte nietig (art. 1704 B. W.). De schenker kan zich het recht voorbehouden het geschonkene tot zich te doen terugkeeren, hetzij ingeval de begiftigde alleen, of deze en zijn afkomelingen, vóór den schenker komen te overlijden. Dit beding kan echter slechts gemaakt worden ten behoeve van den schenker alleen (art. 1709 B. W.). Het gevolg van den terugkeer bestaat daarin, dat alle vervreemdingen der geschonkene goederen worden vernietigd en deze tot den schenker terugkeeren, vrij en ontheven van alle lasten en hypotheken, welke daarop sedert de schenking mochten gelegd zijn (art. 1710 B. W.).

Schenkingen over de hand zijn slechts mogelijk in dezelfde gevallen als erfstellingen van dien aard (art. 1712 B. W. ; zie FIDEICOMMIS).

Schenking op zich zelf heeft geen eigendomsovergang tengevolge; deze heeft eerst plaats door de overdracht, levering van het geschonkene (art. 1723 B. W.).

Volgens art. 1725 B. W. kan een schenking worden herroepen indien de begiftigde zich schuldig of medeplichtig heeft gemaakt aan een aanslag op het leven of een ander misdrijf jegens den schenker of indien hij weigert aan dezen, nadat hij in armoede is vervallen, levensonderhoud te verschaffen (zie ook artt. 1726— 1730).

Zie voor schenkingen in huwelijksche voorwaarden vastgesteld artt. 223—234 B. W. en HUWELIJKSCHE VOORWAARDEN.

Onder schenking verstaat men in ruimeren zin iedere bevoordeeling om niet. In verschillende wettelijke bepalingen heeft schenking deze beteekenis. De hierboven vermelde voorschriften omtrent den vorm van de schenking in engeren zin zijn dan niet van toepassing. Krachtens de Successiewet, zooals deze bij wet van 20 Jan. 1917, Stb. 189 is gewijzigd, zijn schenkingen aan hetzelfde recht onderworpen als hetgeen krachtens erfrecht wordt verkregen. Dit recht wordt geheven over hetgeen door den begiftigde wordt verkregen (art. 73). Art. 80 bevat eenige vrijstellingen.

Zoo zijn o. a. vrijgesteld 1. hetgeen gedurende een kalenderjaar door ouders of één der ouders aan een kind is geschonken tot een bedrag van ƒ 2000 of, zoo nagemeld ⅕ gedeelte meer dan ƒ 2000 bedraagt, tot een bedrag gelijk aan ⅕ gedeelte van het inkomen, naar hetwelk voor het aan dat kalenderjaar voorafgaande belastingjaar de ouders gezamenlijk of één hunner alleen in de inkomstenbelasting van het rijk zijn of is aangeslagen, doch ten hoogste tot een bedrag van ƒ 5000. In het jaar, waarin een kind in het huwelijk is getreden, wordt het bedrag der vrijstelling voor dat kind met het tweevoud van dat bedrag verhoogd. Indien de ouders krachtens rechterlijk vonnis jaarl. aan het kind voor levensonderhoud een bepaald bedrag moeten uitkeeren, is dat bedrag niet belastbaar, ook al is het hooger dan hetgeen volgens het hierboven bepaalde vrijgesteld is;

2. elke andere schenking, welke f 2000 niet te boven gaat (zie echter art. 15);
3. de helft van een het voor een begiftigde onder 2 als maximum vrijgesteld bedrag, indien de schenking meer dan ƒ 2000, doch niet meer dan ƒ3000 beloopt;
4. elke schenking, die de strekking heeft om den begiftigde, die niet in staat is zijn schulden te betalen, daartoe in staat te stellen;
5. de schenking aan een binnen het Rijk gevestigden rechtspersoon, indien op bepaalde wijze wordt aangetoond, dat deze hoofdzakelijk een algemeen maatschappelijk belang beoogt, hoofdzakelijk als instelling van weldadigheid werkzaam is of zich hoofdzakelijk de verpleging van zieken of gebrekkigen ten doel stelt. Deze vrijstellingen gelden niet voor hier te lande gelegen onroerend goed. Voor de toepassing der Successiewet geldt als schenking, behalve die van het B. W., elke overdracht om niet van het bezit van roerende zaken, waarvoor het bezit als volkomen titel geldt en elke andere bevoordeeling uit vrijgevigheid, met uitzondering evenwel van bevoordeeling als gevolg van verwerping door een erfgenaam of legataris of door bruik- of verbruikleen van roerende zaken, verrichting van diensten of verstrekking van kost en huisvesting. Een bevoordeeling door een beding ten behoeve van een derde wordt geacht te zijn een schenking door dengene, die het beding maakt, aan den derde (art. 1). Zie voor de verplichting tot aangifte aan de belastingambtenaren artt. 36, 37, 44 en 45 der wet.