Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 12-01-2019

2019-01-12

Raad van state

betekenis & definitie

Raad van state. - 1) Volgens art. 74 Grw. worden samenstelling en bevoegdheid geregeld door de wet. Hieraan is uitvoering gegeven door de wet van 21 Dec. 1861, Stb. 129, laatstelijk gew. 26 Juli 1918, Stb. 499. De Koning is Voorzitter van den Raad en benoemt de leden. De Prins van Oranje heeft, nadat zijn 18de jaar is vervuld, van rechtswege zitting in den Raad (art. 74 Grw.). Door den Koning kan aan de overige Prinsen van het Kon.

Huis, wanneer zij meerderjarig zijn, zitting en raadgevende stem in den Raad worden verleend (art. 2 der wet). Behalve uit den Koning als Voorzitter bestaat de R. v. St. uit een vice-president en 14 leden (art. 1). Verder kan de Koning uit hen, die bewijzen hebben gegeven, hetzij van bekwaamheid in zake wetgeving of bestuur, hetzij van bijzondere bekendheid met de aangelegenheid van de koloniën en bezittingen van den Staat in andere werelddeelen, ten hoogste 15 staatsraden in buitengewonen dienst benoemen, welke als zoodanig geen bezoldiging genieten en slechts tot deelneming aan bepaalde werkzaamheden van den Raad worden opgeroepen (artt. 4 en 5). — Krachtens art. 75 Grw. moet de Koning ter overweging bij den Raad van State brengen alle voorstellen, door hem aan de Staten-Generaal te doen of door deze aan hem gedaan, alsmede alle algemeene maatregelen van bestuur van het Rijk en van zijn koloniën en bezittingen in andere werelddeelen. Aan het hoofd der uit te vaardigen besluiten wordt melding gemaakt, dat de R. v. St. deswege gehoord is. De Koning hoort den Raad over vernietiging van besluiten der Prov. of Gedep. Staten of van plaatsel. verordeningen (art. 22), over de aan ’s Konings beslissing onderworpen geschillen van bestuur (art. 23; zie ook artt. 35-41), verder in alle gevallen, waarin de wet het mocht voorschrijven en tenslotte over alle zaken van algemeen of bijzonder belang, waaromtrent hij het noodig oordeelt (art. 24). De Koning alleen besluit en geeft telkens van zijn genomen besluit aan den Raad kennis (art. 75 Grw.). De R. v. St. heeft aan den Ministerraad van advies te dienen, indien deze oordeelt, dat de Koning buiten staat is de regeering waar te nemen, zoodat het Kon. gezag aan een Regent zal moeten worden opgedragen (art. 38 Grw.). — De R. v. St. is bevoegd aan den Koning voordrachten te doen omtrent onderwerpen van wetgeving of bestuur, waaromtrent hij het doen van voordrachten aan de St.-Gen. of het uitvaardigen van alg. maatr. v. bestuur wenschelijk acht (art. 25 der wet). — De Raad is, ingevolge art. 13 der wet bij K. B. van 4 Sept. 1862, Stb. 174, laatstelijk gew. 3 Maart 1919, Stb. 57, in afdeelingen verdeeld. Gen. K. B. bevat, kr. art. 46 der wet, ook verdere bepalingen ter regeling der werkzaamheden van den Raad.

De R. v. St. telt even zoovele afdeelingen als er min. departementen zijn, thans dus 12, benevens een bijzondere afdeeling, belast met het onderzoek van de geschillen van bestuur. Deze afdeeling bestaat uit den vice-voorzitter en 4 andere leden, zooveel mogelijk steeds dezelfde (art. 13 der wet). — Om buiten twijfel te stellen, dat bij een regeling van de administratieve rechtspraak, deze geheel of ten deele aan den R. v. St. zal mogen worden opgedragen, is in 1887 in de Grw. een bepaling opgenomen, krachtens welke de wet den R. v. St. of een afdeeling van dien Raad met de uitspraak over geschillen kan belasten (art. 76). Daar de admin. rechtspraak echter nog steeds op regeling wacht, is van deze bevoegdheid tot dusverre geen gebruik gemaakt. — Een zeer bijzondere bepaling bevat art. 45 Grw., volgens hetwelk de R. v. St. het Kon. gezag waarneemt: 1. zoolang bij het overlijden des Konings, niet volgens art. 21 Grw. in de troonopvolging is voorzien, voor den minderjarigen troonopvolger geen Regent is benoemd, of de troonopvolger of Regent afwezig is; 2. in de gevallen van de artt. 40 en 44 Grw., zoolang de Regent ontbreekt of afwezig is; en bij overlijden van den Regent, zoolang zijn opvolger niet benoemd is en het regentschap aanvaard heeft; 3. ingeval de troonopvolging onzeker is en de Regent ontbreekt of afwezig is. Deze waarneming houdt van rechtswege op, zoodra de bevoegde troonopvolger of regent zijn waardigheid heeft aanvaard. Wanneer in het regentschap moet worden voorzien, dient de R. v. St. het daartoe strekkend ontwerp van wet in: in de gevallen onder 1 en 2 vermeld, binnen een maand na de aanvaarding der waarneming van het Kon. gezag, in het geval onder 3 genoemd, binnen een maand, nadat de troonopvolging heeft opgehouden onzeker te zijn. — Zie voor de bezoldiging van de leden van den R. v. St. art. 63 Grw. en de wet van 4 Dec. 1920, Stb. 843. — 2) Vroeger naam van een college, welks samenstelling en bevoegdheid niet altijd dezelfde is geweest, a. De R. v. St. tijdens Karel V en Philips II. Ingesteld bij ordonnantie van 1 Oct. 1531, was de R. v. St. een adviseerend lichaam, bestaande uit personen die daarvoor door de(n) landvoogd(es) werden opgeroepen, terwijl de leden van de orde van het Gulden Vlies krachtens hun lidmaatschap recht hadden van toegang. ’t Moest advies geven in zaken, die den staat in ’t algemeen betroffen, b.v. verdediging, ’t begeven van hooge ambten. De Raad kwam alleen bijeen na voorafgaande oproeping door de(n) landvoogd(es). Veel te beteekenen had dit college nooit.

In 1576, na den dood van Requesens, nam de R. v. St. 't bestuur in handen, zonder echter veel gezag te bezitten. — b. De R. v. St. tijdens de Rep. der Ver. Ned. was ingesteld 12 April 1588, bestond uit den stadhouder der provinciën, 12 leden door de provinciën af te vaardigen en 2 Engelschen (o. a. de Eng. gezant tot 1627). Dit college had oorspronkelijk de leiding der buit. politiek, van de krijgszaken, opperbeheer der financiën en de uitoefening van de rechtspraak in hoogste instantie. Reeds spoedig verloor de R. v. St. aan beteekenis. De leiding der buit. pol. kwam al spoedig aan den raadpensionaris van Holland en later aan ’t z.g.n. Secreet Besogne. ’t Toezicht op de mil. aangelegenheden werd gegeven aan den kapitein-gen.-adm. der Unie, de milit. rechtspraak in hoogsten aanleg kwam aan den Hoogen Krijgsraad. Alleen het toezicht op de krijgsgevangenen bleef aan ’t college van den R. v. St., zoo ook ’t geven van patenten (bevelschriften aan een officier).

De eenige bevoegdheid van beteekenis bleef tenslotte ’t opmaken van een begrooting (generale petitie) met de bijbehoorende memorie van toelichting (staat van oorlog). In verband met deze bevoegdheid gaf de R. v. St. ook aan den thesaurier-gen. bevel tot ’t doen van uitbetalingen. Een belangrijk lid was de secretaris van den R. v. St., die advies kon geven in algem. bestuursaangelegenheden. De leden stemden zonder ruggespraak op imperatief mandaat. Pogingen in 1719 om van den R. v. St. ’t centrale bestuursorgaan te maken, waarvoor vooral v. Slingeland ijverde, zijn mislukt. In 1795 is het college opgeheven.