Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 12-01-2019

Politie

betekenis & definitie

Politie. - Dit woord beteekende nog in de 18de eeuw, ja men kan zeggen tot in de 19de eeuw: administratie, bestuur, wetgeving zoowel als uitvoering op elk gebied, in ruimen zin. Met het „beleid der politie” bemoeiden zich ook nog in de Republiek de rechtscolleges, in het bijzonder de gerechtshoven, de oude raden, raadgevende colleges der graven, totdat de Staten der gewesten hieraan een eind maakten en het beleid der politie onttrokken aan de Hoven, die enkel op de „administratie der justitie” bleven aangewezen en zich hadden te onthouden van zaken, die „politiek” waren. (Zie op WATERSCHAP voor de kwestie der splitsing van de onderdeelen der politie, in den zin van administratie).— Thans verstaat men onder politie de macht in den staat, welke, zoo noodig door het aanwenden van dwang, voor orde, rust en veiligheid moet waken en dit zoowel door te trachten alles, wat deze in gevaar brengt, te voorkomen als door ingrijpen, wanneer zij zijn verstoord, het laatste in het bijzonder door het opsporen van strafbare feiten en de daaraan schuldigen. Verder moet zij de overheid hulp verleenen, zoo dikwijls toepassing van dwang mogelijk en noodig is tot uitvoering van wetten, Kon. besluiten of verordeningen. Ook bij executie van vonnissen kan de hulp der politie soms worden ingeroepen. — De politietaak van den staat is te onzent slechts ten deele wettelijk geregeld, hoewel reeds bij K. B. van 3 Mei 1852, Stb. 99, een staatscommissie werd benoemd om een algemeene politiewet voor te bereiden, welke commissie nog hetzelfde jaar verslag uitbracht.

De beoogde politiewet ontbreekt nog altijd.— Er bestaat in ons land, door velen wordt dit ten zeerste afgekeurd, tweeërlei politie, een Rijks- en een gemeentepolitie. De laatste is geregeld in de Gemeentewet. Volgens art. 190 dier wet berust zij op plaatselijke verordeningen en bevelen, die overeenkomstig die wet, in het huishoudelijk belang der gemeente zijn gegeven. De commissarissen en dienaren van politie en de veldwachters staan onder de bevelen van den burgemeester. Zij zijn echter tevens dienstbaar aan de Rijkspolitie. — De gemeentelijke commissarissen van politie worden door den Koning benoemd, geschorst en ontslagen, die, den Raad en Ged. Staten gehoord, ook hun bezoldiging regelt (art. 191). Deze bezoldiging komt ten laste der gemeente (art. 205a). — De dienaren van politie worden, op voorstel van den commissaris, aangesteld en ontslagen door den burgemeester, die, in overleg met den eerste, hun de noodige ambtsinstructie geeft. Een en ander geschiedt in de gemeenten, waar geen commissaris van politie is, door den burgemeester alleen. — De gemeentelijke veldwachters worden, in overleg met den burgem., door den Comm. der Koningin benoemd en ontslagen, die ook hun instructie in overeenstemming met de algemeene verordeningen vaststelt (art. 191). —De politie over de schouwburgen, herbergen, tapperijen en alle voor het publiek openstaande gebouwen en samenkomsten,openb. vermakelijkheden en openlijke huizen van ontucht, behoort aan den burgem.

Hij waakt tegen het doen van met de openbare orde of zedelijkheid strijdige vertooningen (art. 188). — Bij brand heeft de burgem., behoudens de gewone dienstregeling, door plaatselijke verordeningen voorgeschreven, het opperbevel (art. 189). — In geval van oproerige beweging, van samenscholing of andere stoornis der openbare orde, is de burgem. bevoegd de hulp van het in de gemeente aanwezige of naastbijzijnde krijgsvolk te vorderen. Hij geeft hiervan terstond kennis aan den Comm. der Kon. (art. 184). Aan de vordering van den burgem., welke, zooveel mogelijk, schriftelijk wordt gedaan, moet terstond gevolg worden gegeven (art. 185 ; vergel. art. 27 Sv. en artt. 14 en 15 Instr. Comm. der Kon.). — In het in art. 184 bedoeld geval is de burgem. bevoegd alle bevelen te geven, die hij ter handhaving der orde noodig acht. Hij laat tot maatregelen van geweld niet overgaan dan na het doen der vereischte waarschuwingen (art. 186 ; vergel. art, 186 Sr., dat drie waarschuwingen eischt.) — Is het in zoodanigen toestand noodig algemeene voorschriften van politie voor de inwoners uit te vaardigen en onverwijld af te kondigen, de burgem. is ertoe bevoegd. Hij brengt die voorschriften terstond ter kennis van den Comm. der Kon. en, zoo spoedig mogelijk, ter kennis van den Raad. De Comm. der Kon. kan de uitvoering der voorschriften schorsen. Zij vervallen indien zij niet in den Raad in diens eerstvolgende vergadering worden bekrachtigd, behoudens art. 70.

Ingeval de burgem. of die hem moet vervangen, buiten staat is te handelen, kunnen de noodige voorschriften en bevelen door den Comm. der Kon. worden uitgevaardigd (art. 187). Niet nakoming dezer voorschriften of bevelen van burgem. of Comm. der Kon. is strafbaar krachtens art. 443 Sr. — Voor de Rijkspolitie zijn eenige regelen gesteld bij K. B. van 17 Dec. 1851, Stb. 166, dat het land in 5 districten verdeelt, voor elk waarvan, onder den Min. v. Justitie, een directeur als hoofd der politie kan worden benoemd (artt. 1—3). Daar echter de StatenGeneraal de gelden voor de bezoldiging dezer ambtenaren niet wilden toestaan, werden en worden nog steeds de procureurs-generaal der gerechtshoven, met den titel van fungeerend directeur van politie, tijdelijk met de waarneming der betrekking belast. Krachtens art. 5 van het K. B. moeten zij waken voor de handhaving van de wetten, reglementen van algemeen bestuur en Kon. besluiten, voor de rust en de veiligheid van den staat, voor de bescherming van personen en goederen. Zij zorgen ook, dat de voorschriften omtrent de toelating en uitzetting van vreemdelingen op gelijken voet worden nageleefd. In het nasporen (zie OPSPORING) van misdrijven, die zij niet hebben kunnen voorkomen, zijn zij de justitie behulpzaam. — Hoewel de dir. v. pol. rechtstreeks onder den Min. v. Just. staan, kunnen zij ook opdrachten krijgen van den Comm. der Kon. (art. 15), aan wien is opgedragen de zorg voor de handhaving der openbare orde binnen de prov. en ook bevoegd is de daartoe noodige bevelen te geven aan de bevelhebbers van de in de prov. aanwezige maréchaussée (art. 14 Instr.). Indien onrust of oproer ontstaat, kan hij ook de in de prov. liggende krijgsmacht opvorderen (art. 15 Instr.). — De Rijkspolitie bestaat in de eerste plaats uit de Rijksveldwacht, waarvan de organisatie berust op K. B. van 11 Nov. 1856, Stb. 114, laatstelijk gew. 28 Aug. 1899.

Stb. 203. Haar taak bestaat volgens art. 3 van dit besluit in de eerste plaats in het doen van dag- en nachtrondes zoo binnen den bebouwden kring der gemeenten als inzonderheid ten platten lande ter handhaving der openbare orde, ter beveiliging van personen en goederen en ter voorkoming van misdrijven, terwijl zij in het bijzonder heeft te waken tegen bedelarij en landlooperij en belast is met het toezicht op vreemdelingen, de bewaking van het jachtveld en de visscherij, het in bewaring nemen van zwervende, beschonken of verlaten personen, het opsporen van misdadigers en het inwinnen van informatiën nopens gepleegde misdrijven en voorts met nog eenige ondergeschikte diensten ten behoeve der justitie als het handhaven der orde op de openbare terechtzittingen, het transporteeren van gevangenen en het beteekenen van gerechtelijke stukken in strafzaken (zie voor het laatste ook art. 7 Sv.). Zie ook artt. 19—21 Sv.— De Rijksveldwachters worden onderscheiden in bezoldigde en onbezoldigde. De eersten wijden zich in dienst van het rijk geheel aan hun politietaak, de laatsten zijn personen, die niet in dienst zijn bij het rijk (b.v. boschwachters bij particulieren), maar aan wie door een commissie als rijksveldwachter (zie art. 16 van het K. B. van 1856) de bevoegdheid is gegeven van door hen geconstateerde strafbare feiten proces-verbaal op te maken en in het algemeen als dienaar van de openbare macht op te treden. Te vermelden valt, dat naast de Rijksveldwachters ook gemeentelijke veldwachters voorkomen (zie art. 191 Gem.wet). —Behalve de Rijksveldwacht omvat de Rijkspolitie ook de sinds 1813 bestaande maréchaussée, welke geheel op militaire leest is geschoeid. Oorspronkelijk alleen voorkomende in de drie Zuidelijke provinciën, werd haar werkzaamheid later ook tot andere prov. uitgebreid. — Een algemeene bepaling, krachtens welke de overheid bevoegd is haar wil door politiedwang door te zetten, zoekt men in de wet tevergeefs.

Volgens art. 180 Gem.wet kunnen B. en W. ter uitvoering der plaatselijke verordeningen, desnoods op kosten der overtreders, doen wegnemen, beletten of verrichten hetgeen in strijd met die verordeningen wordt daargesteld, ondernomen of nagelaten (spoedeischende gevallen voorbehouden geschiedt dit niet dan nadat de belanghebbende is gewaarschuwd). Dergelijke bepalingen komen ook voor in eenige andere wetten (zie b.v. art. 14 der wet van 20 Juli 1895 Stb. 113 ter uitvoering van art. 191 Grw., art. 44 der wet van 10 Nov. 1900, Stb. 176, houdende algem. regels omtrent het waterstaatsbestuur, enz.). Veelal neemt men aan, dat de genoemde bevoegdheden ook zonder wetsbepaling aan de overheid toekomen, zoodat vermelde artt. voornamelijk beteekenis hebben doordat ze inhouden, dat de kosten der politiemaatregelen ten laste van den overtreder kunnen worden gebracht. — Ook omtrent de middelen, welke de politie bij de vervulling harer taak mag aanwenden, geeft de wet geen algemeene voorschriften, zoodat men haar in deze een zekere vrijheid zal moeten toekennen, welke echter wordt begrensd door de velerlei wettelijke bepalingen omtrent hechtenis, binnentreden eenerwoning,vrijheidvan drukpers, recht van vereeniging en vergadering, enz. — Litt.: Handel. Ned. Jur. Ver. 1893 : Welke behooren de grondslagen te zijn voor de samenstelling eener algem. politiewet, zoowel ten aanzien van de bevoegdheden als van de organisatie der politie ? Praeadviseurs Mr. J. C. Th. Heijligers en Mr. H. J. Kist; Mr. J. Bool, De politie, haar wezen en organisatie in Frankr., Duitschl., Engel, en Nederl., Ac. pr.(Leiden 1887).