Overeenkomst betekenis & definitie

Overeenkomst - (contract). Voor het tot stand komen eener overeenkomst is noodig:

1) de toestemming van partijen (zie de Lat. definitie van overeenkomst: duorum pluriumve in idem placitum consensus);
2) haar bekwaamheid om verbintenissen aan te gaan (zie HANDELINGSBEVOEGDHEID);
3) een bepaald onderwerp;
4) een geoorloofde oorzaak (art. 1356 B. W.). Geen toestemming is van waarde, indien ze door dwaling is gegeven, door geweld afgeperst of door bedrog verkregen (art, 1357 B. W.). Wanneer de wederzijdsche toestemming van partijen als aanwezig moet worden aangenomen, hangt van de omstandigheden af. Wilsovereenstemming zonder meer doet een ov. niet geboren worden. Beide partijen zullen door woorden of daden elkaar haren wil moeten hebben kenbaar gemaakt. De partij, welke tot de ov. het initiatief neemt, zal óf met een voorstel (offerte) komen óf de wederpartij om een voorstel verzoeken. Eerst na aanneming van het voorstel is de ov. tot stand gekomen. — Over de vraag, of ten slotte de wil of de wilsuiting de ov. doet geboren worden, wordt verschillend gedacht. Men onderscheidt in dit verband de wils- en de verklaringstheorie. De aanhangers der laatste leggen er den nadruk op, dat men in het rechtsverkeer op de verklaringen van anderen moet kunnen bouwen, daar de wil zelf niet voor waarneming vatbaar is.

Om deze reden spreekt men ook van de vertrouwenstheorie of het vertrouwensdogma. Zie voor een wilsuiting, afgedwongen door geweld, DWANG.— Ook omtrent de vraag wanneer een ov. is tot stand gekomen, indien, in het bijzonder bij partijen, die niet ter zelfder plaatse zich bevinden, wilsuitingen der eene niet dadelijk de andere kunnen bereiken, heerscht verschil van meening. Volgens sommigen ontstaat de ov., zoodra de partij, aan wie een aanbod is gedaan, zijn wil om dit te aanvaarden heeft geuit (z-g.n. uitingstheorie); anderen achten een ov. eerst geboren, wanneer de aanbieder van dien wil heeft kennis genomen (z.g.n. vernemingstheorie). — Alleen zaken, welke in den handel zijn, kunnen het onderwerp eener ov. uitmaken (art. 1368 B. W.). De zaak moet ten minste ten aanzien harer soort bepaald zijn. Wanneer haar hoeveelheid onzeker is, moet deze naderhand kunnen worden bepaald (art. 1369 B. W.). Zie ook TOEKOMSTIGE ZAKEN. — Alle wettig gemaakte ov. strekken aan partijen tot wet (Lat.: pacta sunt servanda). Zij kunnen niet worden herroepen dan met wederzijdsche toestemming (art. 1374 B. W.). Zij binden alleen de handelende partijen (art. 1376 B. W.) en de erfgenamen en rechtverkrijgenden van deze (art. 1364 B. W.). Slechts in enkele bepaalde gevallen kan een derde aan een in een ov. te zijnen behoeve gemaakt beding rechten ontleenen (art. 1355 B. W.). — Ov. moeten te goeder trouw worden ten uitvoer gebracht (art. 1374 B. W.) Zij verbinden niet alleen tot hetgeen uitdrukkelijk bij haar bepaald is, maar ook tot al hetgeen naar den aard der ov., door de billijkheid, het gebruik of de wet wordt gevorderd (art. 1375 B. W.). Indien de bewoordingen eener ov. duidelijk zijn, mag daarvan door uitlegging niet worden afgeweken (art. 1378 B. W.). Zijn zij voor verschillende uitlegging vatbaar, dan moet men veeleer nagaan, welke de bedoeling der partijen geweest is dan zich aan den letterlijken zin der woorden te binden (art. 1379 B. W.). Indien een beding voor tweeërlei zin vatbaar is, moet men het veeleer opvatten in den zin, waarin het van eenige uitwerking kan zijn, dan in dien, waarin het niet het minste gevolg zou kunnen hebben (art. 1380 B. W.). Bewoordingen, voor tweeërlei zin vatbaar, moeten worden opgevat in den zin, die met den aard der ov. het meest overeenstemt (art. 1381 B. W.). Hetgeen dubbelzinnig is, moet uitgelegd worden naar hetgeen gebruikelijk is in het land of op de plaats, waar de ov. is aangegaan (art. 1382 B. W,). Bestendig gebruikelijke bedingen worden geacht stilzwijgend in de ov. te zijn begrepen, schoon zij daarbij niet zijn uitgedrukt (art. 1383 B. W.). Alle bedingen, in een ov. gemaakt, moeten in hun verband genomen en het eene door het andere uitgelegd worden; elk beding moet in den zin worden opgevat, welken het geheel beloop der ov. medebrengt (art. 1384 B. W.). In geval van twijfel wordt een ov. uitgelegd ten nadeele van wie iets bedongen en ten voordeele van wie zich verbonden heeft (art. 1385 B. W.). Hoe algemeen een ov. ook luidt, omvat zij alleen die zaken, waaromtrent het blijkt, dat partijen voornemens waren te handelen (art. 1386 B. W.). Indien in een ov. een geval is genoemd om de zaak duidelijk te maken, wordt men niet geacht daardoor te hebben willen inkorten en beperken de naar rechten verbindende kracht, welke de ov. in de niet-uitgedrukte gevallen heeft (art. 1387 B. W.); zie ook ARGUMENTUM A CONTRARIO. — De ov. worden veelal onderscheiden in 1) wederkeerige en eenzijdige ov. ;

2) ov. om niet en onder bezwarenden titel;
3) commutatieve (verwisselende) en kansovereenkomsten ;
4) formeele en vormvrije ov.

Behalve voormelde algemeene bepalingen voor alle ov. regelt de wet nog eenige veel voorkomende ov. in het bijzonder (zie art. 1355 B. W.). De meeste der betreffende bepalingen zijn echter niet van dwingend recht, zoodat partijen een andere regeling er voor in de plaats kunnen stellen. In verband hiermede onderscheidt men bij die overeenkomsten essentialia, hetgeen voor haar bestaan onmisbaar is, naturalia, hetgeen ook zonder uitdrukkelijk beding geldt, en accidentalia, hetgeen slechts geldt, indien het uitdrukkelijk is overeengekomen.

Gepubliceerd op 12-01-2019