Oosthoek encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Gepubliceerd op 12-01-2019

Oostzee

betekenis & definitie

Oostzee, - behoort tot het type der middellandsche zeeën, staat door de Sont en Belten en daarna door het Kattegat met de Noordzee in verbinding, opp. 407.000 K.M.2, inhoud 22.360 K.M.3, diepte gemiddeld 65 M. De waterstand vertoont denzelfden jaarlijkschen gang als de Noordzee. De kleur van het water is gewoonlijk groen, de doorzichtigheid gering (7—13 M.). Het zoutgehalte is klein, tusschen Rügen en Ösel 7—8°/00, van Öland tot de Finsche Scheeren 6 —7 °/00, bij Haparanda en bij Kroonstad 2°/00 en hier wordt in het voorjaar soms geheel zoet water aangetroffen. In de Belten is het zoutgehalte sterk afhankelijk van de windrichting; aanhoudende O.-wind geeft een gehalte van 10 °/00, W.-wind van 20 a 22 °/00. De temperatuur vertoont een grooten jaarlijkschen gang en is sterk afhankelijk van de zonnestraling, zooals bleek in de Danziger-bocht, waar in 1905 de opp.temp. 18°.4, in 1903 slechts 16°.2 C. bedroeg.

Door het geringe zoutgehalte komt dikwijls sterke ijsvorming voor, waardoor de scheepvaart in de Botnische Golf maandenlang gestremd is. Het getij is in de Belten en in het Westelijk deel dubbeldaagsch, in de Botnische Golf overwegend enkeldaagsch. De amplitude is gering: 10—20 c.M. aan de Duitsche kust, 25—50 c.M. in de Finsche en Botnische Golf. Het stroomsysteem is gecompliceerd en in hooge mate afhankelijk van den wind ; langs de Zweedsche kust trekt de stroom hoofdzakelijk naar het Zuiden, langs de Duitsche kust naar het Oosten, langs de Finsche kust naar het Noorden. De getijstroomen spelen soms een groote rol, zoodat de scheepvaart dikwijls zorgelijk is en veel aandacht vergt. — Er bestaat een uitgebreide Duitsche, Zweedsche en Finsche litteratuur over de Oceanographie van de Oostzee. Zie Krümmel’s Ozeanographie.