Oosthoek encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Gepubliceerd op 12-01-2019

Ohio

betekenis & definitie

Ohio, een der staten van de Ver. Staten van N.-Amerika, ten Z. van het Erie-meer gelegen. Oppervlakte 106.289 K.M.2; 5.100.000 inw. O. behoort grootendeels tot het stroomgebied der Ohio-rivier; ongeveer een derde behoort tot het gebied der Canadeesche meren.

De laatste tientallen jaren neemt juist dit deel in bevolking en beteekenis zeer snel toe. De vruchtbare bodem en het milde klimaat maken den staat uitnemend geschikt voor den landbouw, waarvoor een aanzienlijk deel der vroegere bosschen is omgehakt. Er zijn thans ongeveer 300.000 boerderijen met een totale oppervlakte van 10 millioen H.A. bouwland. De landbouw levert vooral graan. Hiervan is de maïsoogst het belangrijkst. De laatste jaren bedroeg de productie daarvan ruim 50 millioen H.L., tegen 18 millioen H.L. haver en 13 millioen H.L. tarwe. Verder veel aardappelen, fruit en groenten, suiker en tabak. De belangrijke veeteelt (900.000 paarden, 1.800.000 runderen, 4 millioen varkens, 3 millioen schapen) riep een groote boter- en kaasfabrikage in het leven, benevens een uitgebreiden wolhandel.

De grootste industrieele ontwikkeling van den staat steunt echter in hoofdzaak op den mijnbouw. O. bezit verschillende delfstoffen; steenkool is de voornaamste; jaarlijksche productie ± 20 millioen ton. Nabij de steenkool komt petroleum voor en in verband daarmede brongas. De eerste gaat in productie achteruit, de laatste vooruit en overtreft thans reeds de waarde der petroleum. Van beteekenis is ook de exploitatie van zand- en kalksteen en portlandcement. De verwerking tot pannen, potten en steenen is hier zeer hoog ontwikkeld.

Verder industrie, van ijzer, staal en machines, auto’s, schoenen, rubberartikelen, tabak, houtwaren. De grootste industrie-steden zijn Cleveland en Cincinnati. Het is de ontwikkeling van landbouw en veeteelt, mijnbouw, maar vooral industrie, die de bevolking gedurende de 19e eeuw bijna heeft verhonderdvoudigd: in 1800 45.400 bew.; in 1900 4.158.000 thans (1920) 5.759.000, waaronder 112.000 Negers (slechts 127 Indianen). Bijna 600.000 bew. zijn immigranten, waarvan 175.000 Duitschers, 73.000 Oostenrijkers, 44.000 Engelschen, 40.000 Ieren. Van de geheele bevolking woont 56 % in de steden. Zes steden hebben (1920) meer dan 100.000 inwoners, t. w. Cleveland (796.000), Cincinnati (405.000), de hoofdstad Columbus (210.000), Toledo (188.000), Dayton (152.000) en Yoringstown (104.000).

Geschiedenis. O. was in vóórhistorischen tijd goed bevolkt, zooals de talrijke mounds bewijzen; men vindt er omstr. 10.000 dezer heuvels en ongeveer 1500 ringmuren (deze nabij rivieren vooral, als verdedigingswerken, b.v. zeer groote bij Cincinnati). De Cherokeezen hebben o. a. toenmaals het gebied der Ohio-rivier bewoond. De eerste Europeesche nederzetting is eerst in 1787 gesticht: Marietta, aan de uitmonding van de Muskogum in de Ohio, tegenwoordig een centrum in ’t petroleumgebied, ruim 15000 inw. In 1789 verrees een vestiging ter hoogte van Cincinnati; het vruchtbare land, toen een deel van het North-West Territory trok steeds meer bevolking en in 1803 werd de staat Ohio gevormd. Deze (zie boven de bevolkingscijfers) heeft zich in den loop der 19e eeuw buitengewoon ontwikkeld; vooral het Duitsche element heeft tot de bevolking sterk bijgedragen. De staat en zijn onderdeelen hebben zich gekenmerkt door degelijk bestuur. Litt.: Fowke, Archaeological history of O., Columbus 1902; Lawyer, History of O., ald. 1904.

< >