Noordzee betekenis & definitie

Noordzee, behoort tot het type der randzeeën, opp. 572.000 K.M2., inhoud 53.730 K.M3., gemiddelde diepte 94 M.; heeft echter over groote gebieden veel minder diepte; de betr. groote gemiddelde diepte wordt veroorzaakt door een diepe voor of inzinking onder de Noorsche kust, die naar het Skagerak loopt en Noorweegsch Diep heet. Onder de Ned. kust vindt men de Breeveertien, een gebied van 3500 K.M.2 met 14 vakm = 23 a 24 M. water. Een bekende bank is de Doggersbank met haar steil in de Silverpit afloopenden Zuidrand. De doorzichtigheid van het water hangt sterk van plaats en het weer af; zij schommelt tusschen 6 en 23 M. De temperatuurverdeeling en die van het zoutgehalte zijn even als de stroomingen vrij nauwkeurig bekend door de Publications du Bureau du Conseil permanent international pour l’Exploration de la mer ; speciaal onder de Nederlandsche kust door de studies van Dr.

J. P. van der Stok: „Etudes des Phénomènes de Marée”, 4 deelen, en „das Klima des Südostlichen Teiles der Nordsee”, waarnaar hier verwezen moet worden. Vooral voor de getijden leveren de Etudes zeer waardevolle bijdragen, niettemin is er nog veel duisters in den loop der getijgolven waarvan er een langs de Engelsche kust naar het Z. trekt, en op de hoogte van Yarmouth een tak afzendt, die op de hoogte van Terschelling de Ned. kust treft. De getijgolf loopt verder langs de Engelsche kust, buigt zich om naar de Ned. kust, volgt die, en vereenigt zich bij Terschelling met bovengenoemden tak. In het Skagerrak schijnt een afzonderlijke getijgolf op te treden. De meening dat het getij in de Noordzee sterk den invloed zou ondervinden van het Engelsche Kanaal is niet juist; het is zoo goed als zeker, dat met een afgedamd Kanaal het getij niet zou veranderen. Men kan aannemen, dat van de geheele Noordzee de getijden op de Nederlandsche kust het beste bekend zijn, dank zij het werk van Dr.

J. P. van der Stok, Prof. Dr. H. G. van der Sande Bakhuyzen, J. M. Phaff en M. H. van Beresteijn. Het getij is van het dubbeldaagsche type; van Vlissingen tot den Helder neemt de amplitude af, van den Helder naar de Duitsche Bocht weer toe. Ook de getijstroomen zijn op onze kust volledig bekend. Het niveau in de Noordzee en alle zeeën van N.-Europa vertoont een eigenaardigen jaarlijkschen gang met een minimum in Maart, twee maxima in October en December, gescheiden door een uitgesproken November-minimum ; de oorzaak van dit verschijnsel moet hoogstwaarschijnlijk in de kracht van den Golfstroom gezocht worden, terwijl ook de heerschende winden op de kust invloed hebben. (Verslag Kon. Ak. v. Wet. te A’dam, Deel XXIII).

De waterbeweging is onderzocht door middel van de flesschenpost, waaruit blijkt, dat langs onze kusten het water uiterst langzaam naar het N.O. en O.N.O. stroomt. Uit de waarnemingen a/b. der Ned. lichtschepen is de snelheid van den z.g. veststroom berekend door van der Stok, waaruit men dadelijk de langzame waterbeweging ziet. De golfhoogte is bij stormweer tusschen 5 en 6, de lengte 45 M„ de periode 9 sec.