Oosthoek encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Gepubliceerd op 12-01-2019

Moravië

betekenis & definitie

Moravië - Mähren, markgraafschap in ’t voormalig Oostenr. kroonland, groot 22.200 K.M.2, met (1910) 2.600.000 inw. Het omvat het gebied tusschen de Boheemsch-Moravische hoogten en de Westelijke Karpaten. Het W. is een deel van het Boheemsche massief, hier een vlak plateau van graniet en gneiss, dat zich dicht bij de grens met Bohemen op enkele plaatsen tot 800 M. verheft en dat door talrijke kronkelende rivierdalen doorsneden wordt. In het midden de Marchlaagte, een laagte mettertiairen ondergrond, gedeeltelijk golvend heuvelland, voor een ander deel vlak alluvium.

Het O. is het voorland der Westelijke Karpaten, dat voornamelijk uit zandsteen bestaat. Het Noorden behoort tot de Sudeten, n.1. het uit devonische en carbonische lagen bestaande Hanna-plateau ten N. van Brünn (tot 718 M. hoog), het uit kristallijne leien bestaande Aliva-gebergte (Altvater 1490 M. hoog) en het Gesenke-plateau carbonische leien en zandsteen (hoogste punt 821 M.). Hoofdrivier is de March. — Het klimaat is continentaal. Brünn heeft een jaartemperatuur van 8,4° C., Jan.2,5°, Juli-19°. De neerslag bereikt zelden meer dan 600 m.M. — De vrij dichte bevolking (118 per K.M.2) bestond in 1910 uit Slaven (vooral uit de met de Tsjechen verwante Moraviërs, en ± 15.000 Polen), 719.000 Duitschers en 41.000 Joden. 2.503.000 waren Roomsch-Katholiek, 74.000 Protestant. — Het land is zeer ongelijk wat de vruchtbaarheid aangaat. Verbouwd worden verschillende korensoorten, vlas, suikerbieten en vruchten. In het Z. ook wijnbouw.

De veeteelt staat op hoogen trap. In het N. reikt M. bij Moravisch Ostrau in het steenkolen- en ijzergebied van Silezië. In de vele gemiddeld groote steden vindt men een levendige industrie, vooral van textielwaren, pottenbakkerij, suiker, leer, papier, enz. Het belangrijkste spoorwegnet (in 1912: 2119 K.M.) sluit aan bij de hoofdwegen. Hoofdplaats Brünn (113.000 inw.).

Geschiedenis.

Nadat in de 6e eeuw de Germ. Beieren M. verlaten hadden, vestigden zich in dit landschap Slavische stammen die ± 805 door Karei den Groote schatplichtig worden gemaakt, maar zich na diens dood aan ’t Frankische oppergezag onttrokken. In 't eind der 9e eeuw ontstaat erin M. een Slavisch rijk, dat zich onder Sventopluk uitbreidt tot den Donau (Groot-Moravisch rijk). Na den dood van dezen vorst, die krachtig ’t Christendom bevorderde, spat dit Moravisch rijk uiteen (894). In 't begin van de 10e eeuw werd M. bezet door de Magyaren, die ’t land behielden tot ± 1000, toen het veroverd werd door de Polen, door wie het ± 1030 afgestaan werd aan Bohemen. De Boheemsche vorsten splitsten M. in verschillende staatjes, die bestuurd werden door hun verwanten. Frederik I Barbarossa scheidde in 1082 M. van Boheme en gaf het als markgr. aan de Premyslide Koenraad Otto. Een eenheid bleef het vorstendom echter niet.

In de 14e eeuw bestond M. uit de markgr. M., Troppau en Olmütz, die in leenverband stonden tot Boheme, en bestuurd werden door vorsten uit het Luxemburgsche huis. In ’t midden van de 15e eeuw kwam M. aan Matthias Corvinus van Hongarije. In ’t begin der 16e eeuw kwam ’t land aan de Habsburgers, aan wie ’t is gebleven tot ’t uiteenspatten van de Oost.-Hong. monarchie in 1918. Nu behoort M. tot de rep. Czecho-Slowakije.