Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 12-01-2019

Mond- en klauwzeer

betekenis & definitie

Mond- en klauwzeer. - Deze veeziekte, hier te lande ook tongblaar geheeten, is een spoedig verloopende, koortsige uitslagziekte, die steeds door een eigen smetstof ontstaat en zich licht onder het vee verbreidt. Zij is hoofdzakelijk gezeten in het slijmvlies van den mond en in de huid nabij de klauwen, in den vorm van blaasjes en blaren, die openbreken. In den regel is zij goedaardig en herstellen de zieke dieren volkomen na eenige dagen. Soms is de smetstof meer virulent, en komen meer sterfgevallen voor.

Haar geschiedenis is zeer merkwaardig. Zij vangt aan in het laatste vierendeel der 17de eeuw. Toen, voor het eerst, leerde men de ziekte kennen, in Zwitserland en Duitschland. In den loop der 18de eeuw kwam zij naar Frankrijk, Italië en Oostenrijk ; en in vele streken der genoemde landen heerschte zij herhaaldelijk in erge mate. In de 19e eeuw verbreidde zij zich nog verder. Zoo kwam zij ook als een nieuwe onbekende ziekte in 1838 in Nederland (N.-Holland) en in Rusland, in 1839 in Engeland en Ierland; en omstreeks het midden dezer eeuw was zij in bijna alle landen van Europa doorgedrongen. Ook in Ned. Indië trad zij heerschend op.

In Nederland kwam zij voor in 1838—50, 1861-65, 1869-81, 1883-85, 1892-1902; bijgevolg in 43 van de 66 jaren 1838—1903, terwijl het in 23 jaren vrijbleef. In de laatste jaren treedt de ziekte dikwijls heerschend in ons land op. De ziekte komt het meest voor bij het rundvee ; voorts bij schapen, geiten en varkens. Ook andere huisdieren zijn er vatbaar voor ; maar onvatbaar is het paard. Na het doorstaan der ziekte, is de vatbaarheid soms 1—2 jaren opgeheven. Meermalen krijgen dezelfde koeien de ziekte echter weer binnen het jaar. Bij menschen, inzonderheid kinderen, kan het mondzeer voorkomen na het gebruik van melk van zieke koeien ; soms in hevegen graad in mond, keel, maag en darm. Dit komt echter zelden voor.

De oorzaak der ziekte, haar smetstof, is nog niet bekend. Al kent men de smetstof niet, wat haar aard betreft, toch laat zich op grond van ervaring en proefneming er van zeggen, dat zij aan hooge warmte, aan uitdroging en allerlei gewone ontsmettingsmiddelen geen weerstand biedt; en b.v. gekookte of ook slechts tot 85° C. verwarmde melk van zieke koeien geen levende smetstof meer bevat. Zij behoort bijgevolg geenszins tot de levenstaaie smetstoffen. De zieke dieren raken zeer veel smetstof kwijt in het slijm en andere stoffen uit de aangedane lichaamsdeelen. Vooral in het vocht uit de blaasjes en blaren, aan die deelen ontstaan, is buitengewoon veel smetstof aanwezig, zoodat het, ook eenige duizendmaal verdund, nog geschikt is om met een geringe hoeveelheid de ziekte bij dieren voort te brengen. De ontlaste smetstof kan langen tijd levend en werkzaam blijven, voor zoover zij niet uitdroogt. De plaatsen, waar de zieke dieren zich bevinden, stallen, weilanden, marktplaatsen, veewagens, wegen, enz., voorts voeder, strooisel, alsmede allerlei gereedschap voor verpleging en vervoer van vee, worden er mee bezoedeld en geven daarna aanleiding tot besmetting. Ook menschen, enkel doordat zij bij ziek vee verkeerd hebben, kunnen de smetstof op gezond vee overbrengen.

Dat onder deze omstandigheden de veehandel gemakkelijk aanleiding geeft tot spoedige en groote verbreiding dezer veeziekte, springt vanzelf in het oog. Er komt dan nog bij, dat ook door vogels, insecten en andere dieren de smetstof van het zieke vee of van besmette plaatsen en voorwerpen op afstand kan worden gebracht; waardoor de onjuiste meening ontstaat, dat zij door de lucht wordt verbreid of z.g. volatiel is. Eenmaal onder een veestapel gekomen, of op een veemarkt aangebracht, verbreidt de ziekte zich licht van dier op dier ; op jong vee vooral ook door besmette melk. In den regel worden de dieren besmet, doordat de smetstof in den mond en van daar verder in het lichaam geraakt. Enkele dagen na de besmetting openbaart de beginnende ziekte zich door koorts, maar inzonderheid een dag later door de verschijnselen aan den mond en de klauwen. Het mondslijmvlies wordt rood en gevoelig; weldra ontstaan daarop, ook op de tong en om de mondopening, blaasjes en blaren, die een helder vocht bevatten en spoedig opengaan, waarna de ontvelde, roode plekken pijnlijk zijn. Het dier kwijlt zeer sterk, laat een smakkend geluid hooren, kauwt met veel pijn of vermijdt het kauwen en herkauwen. Bij jonge dieren, die door melkvoeder in erge mate besmet worden, wordt het maag- en darmslijmvlies aangetast.

Onmiddellijk boven de klauwen, het ergst in de klauwspleet, wordt de huid gezwollen, warm en pijnlijk. Ook hier ontstaan blaasjes en blaren die spoedig opengaan. Het staan en vooral het gaan veroorzaakt veel pijn. Behalve in den mond en aan de klauwen, komt deze blaaruitslag ook veelvuldig voor aan de tepels, die bij het melken besmet worden en waarvan de blaren ook bij het melken spoedig worden opengeschuurd. Voorts nog aan de gtslachtsdeelen en enkele andere plaatsen. Na eenige dagen is nagenoeg alles voorbij, althans wat het mondzeer betreft. Jonge dieren sterven echter soms in groot aantal, ten gevolge van ziekte in maag en darm, na voedering met besmette ongekookte melk. Bij menig rund, enz. geven de open plekken aan de klauwen aanleiding tot bijkomende, soms zeer diep indringende, langdurige en gevaarlijke verzweringen, als gevolgen of naziekten.

Het heerschend mond- en klauwzeer is nu en dan ook in een zeer kwaadaardigen vorm voorgekomen, waarbij vele dieren na enkele dagen plotseling stierven ; dan is er steeds een hartlijden in het spel. Al zijn de ziektegevallen in den regel goedaardig en van korten duur, toch veroorzaakt de ziekte veel last en schade aan de veehouderij. De zieke dieren geven veel minder melk, ook nog na den afloop der ziekte, en vermageren ; de melk kan als zoodanig niet gebruikt worden als voedsel voor menschen en jong vee. Ofschoon de zieke plaatsen aan slijmvlies en huid zoo spoedig genezen, zijn er voor en na toch tal van middelen aangeprezen, waarvan het heette, dat zij de genezing zullen bevorderen. In het algemeen zijn zij geheel overbodig; veelal zelfs schadelijk, omdat hun aanwending, bepaaldelijk in den pijnlijken mond, voor het zich daartegen verzettende dier veel meer nadeelig dan voordeelig zal zijn. Aangewezen is een goede verzorging van het zieke vee; eensdeels geschikt voeder en drank, anderdeels een droge, zachte en reine stalbodem.

Wegens het voortgaan met melken, vorderen de ontvelde tepels een eigen behandeling. Tegen bijkomende ziekten aan de klauwen zijn bijzondere maatregelen intijds noodig. De beste voorbehoeding, namelijk de besmetting voorkomen, kan de veehouder zelf bewerken ; voor zoover hij, bepaaldelijk ten tijde dat de ziekte reeds van elders dreigt, kan en wil zorgen: dat geen besmet vee in zijn stal of weide komt ; dat geen personen, die de ziekte onder hun vee hebben of wegens hun bedrijf alom veehouderijen en markten bezoeken, zich bij zijn vee of op zijn hoeve ophouden ; dat geenerlei voorwerpen, waarmee de smetstof gemakkelijk kan worden aangebracht, in zijn bedrijf komen ; dat ook hij en zijn personeel zich onthouden van het bezoeken van plaatsen van waar zij de smetstof mee naar huis kunnen nemen, aan handen, bovenkleeren, schoeisel, enz.; en voorts dat, waar noodig, reeds uit voorzorg ontsmettingsmiddelen worden aangewend. Sedert 1880 behoort in Nederland het mond- en klauwzeer, bij de herkauwende dieren en de varkens, tot die veeziekten, welke van Regeeringswege met politiemaatregelen bestreden worden. De thans geldende maatregelen zijn in hoofdzaak de volgende ; verplichte aangifte der ziektegevallen; afzondering van ziek of verdacht vee ; aanwijzing der besmette hoeven, enz. door waarschuwingsborden ; verbod van vervoer van ziek en verdacht vee; verbod van aanvoer van vee in besmette plaatsen ; afsluiting van besmette plaatsen ; ontsmetting ; eventueel ook : afsluiting van besmette streken ; verbod van veemarkten; afmaking van ziek en verdacht vee. In den laatsten tijd worden vooral kalveren onvatbaar gemaakt, door inspuiting van bloed-serum van koeien, die aan de ziekte geleden hebben.