Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 10-01-2019

Limburg

betekenis & definitie

Limburg, - provincie van Nederland, oppervlakte 2194,68 K.M.2 en 11,28 K.M.2 tot de gemeenten behoorende wateren; bevolking op 31 Maart 1916 393.294; dichtheid 179 per K.M.2; 13 % woeste grond ; 43 % bouwland ; 5,18 % tuingrond ; 13 % wei- en hooiland, 17 % bosch. Historisch is de prov. gevormd uit verschillende deelen : tot het vroegere hertogdom Limburg behooren slechts de dorpen Epen en Slenaken; verder uit een groot deel van het overkwartier van Gelderland, eenige stukken van Brabant, Gulik en Kleef, van het prins-bisdom Luik, de Rijks Vorstelijke abdij Thorn, de graafschappen Valkenburg, Daalhem, ’s-Hertogenrade, Wittem en Gronsveld en enkele andere. In 1815 werden deze gedeelten met een thans Belgisch stuk tot een gebied vereenigd ; in 1839 is het tegenwoordige Limburg aan Nederland gebleven. In 1867 werden de betrekkingen tot den, toen opgelosten, Duitschen Bond, opgeheven.

Het behoort geheel tot het stroomgebied der Maas, die de beide deelen, N. en Zuid-L., vereenigt. Voor de grenzen met Duitschland en België, zie NEDERLAND; met N.-Brabant wordt de grens gevormd door de Maas en verder Zuidwaarts door het oude Peelmoeras. Met Gelderland volgt de grens een moerassige laagte, gevormd door een ouden Niersloop, ten Z. van den steilrand van het Rijkswoud en verder Westwaarts over de oude Mookerheide, die één geheel vormt met het Rijk van Nijmegen. — Een groot deel van Z.-L. verheft zich boven de 100 M. ± A. P. ; het hoogste punt ligt ten Z. van Vaals op 322 M. Het daalt Noordwaarts tot benoorden Venloo, waar een hoogte bereikt wordt van 10—20 M.

Geologie. (Zie hiervoor ook NEDERLAND). Van het carboon is thans bekend, dat het op bereikbare diepte voorkomt (dus op de horsten):

1) in Zuid-Limburg tusschen Sittard in het N. en de lijn Elsloo—Valkenburg—Simpelveld in het Z.;
2) in de Peelhorst, die zich Z.-O. N.-W. uitstrekt tusschen Venlo en Roermond. Van de vormingen na het carboon tot het krijt zijn geen overblijfselen meer bewaard gebleven. Wel zijn nog aanwezig die uit de krijtperiode en wel: Akensch zand; groenzand van Vaals of Herve, beide land- of ondiepe zee-vormingen ; daarna werd de zee dieper en vormde zich Maastrichtsch en Gulpensch krijt. Aan het eind van het krijttijdvak trok de zee zich weer terug.

In het tertiair vormden zich ten Z. van de lijn Swalmen-Brüggen bruinkolen. Ook in het plioceen werd veel slib en zand aangevoerd, wat tijdens het diluvium voortging, waardoor een reusachtige delta opgebouwd werd, bestaande uit Maas- en Rijndiluvium. De löss werd aan het eind van het diluvium gevormd. De loop der rivieren staat nog in zeer nauw verband met de bewegingen, die de aardkorst hier maakte : de sterken daalden tot zelfs in het diluvium nog zeer sterk.

Bevolking. Het algemeen karakter van de L.ers wordt o. a. door Dr. van Ginneken beschreven : de L. zijn de Italianen van ons land. Ook Dr. Felix Rutten en Mr. L. Hurrelbrink hebben ze getypeerd. De bevolking bedroeg in 1830 186.281, in 1909 332.000, in 1917 430.489. De toename had van af 1830 eerst langzaam, later (na 1910) zeer snel plaats. Het dichtst is de bevolking in het Z., waar al vele plattelandsgemeenten een dichtheid hebben van 100—170 per K.M.2; in de industrie- en mijnbouwgebieden is de dichtheid al zeer veel grooter. In N.-L. is de dichtheid geringer, meest 40—70.

Daar vindt men nog de meeste woeste gronden. Door de groote uitbreiding van het mijnbedrijf worden vele werkkrachten aan het landbouwbedrijf onttrokken en heeft een immigratie van vreemdelingen plaats. De eenvoudige dorpsgeest gaat verloren. Het talrijke vreemdelingenbezoek, vooral aan het Geuldal, heeft ook op het volksleven zijn invloed doen gevoelen. — Overheerschend behoort de bevolking tot de R.-K. Kerk (97 %). L. is dan ook rijk aan kloosters.

De Maas is tot nu toe slecht bevaarbaar, vroeger schijnt ze wel iets beter geweest te zijn, maar de talrijke tollen bezwaarden zeer de scheepvaart. Van Maastricht tot Roermond wordt de rivier zoo goed als niet bevaren, tot Venloo weinig. Boven Maastricht dient het Kanaal Maastricht—Luik de scheepvaart. In 1918 heeft de Staatscommissie (voorzitter: J. C. Ramaar) advies uitgebracht over de spoorwegwerken, welke zullen noodig zijn ten behoeve van den uitvoer van steenkolen naar een punt van de Maas. Tot nu toe geschiedt die geheel per spoor. De Maaskanalisatie is zoowel over L. als voor geheel Nederland van de grootste beteekenis. — De nederzettingen zijn het talrijkst in Z.-L. ; in Noord-L. liggen de meeste in een strook aan weerszijden van de Maas, niet onmiddellijk aan de rivier, maar op den rand van de hoogere gronden, verder in de zone tusschen de Peel en de Maas, waar de meeste dorpen te midden van bouwlanden liggen, zooals Venray, Horst, Maasbree en Helden.

Deze gemeenten hebben alle veel gemeentelijk grondbezit in de oude Peelmoerassen. In N.-L. hebben zich tot landstadjes ontwikkeld : Gennep, ontstaan in de heerlijkheid Gennep ; Venloo, vroeger zelfs een Hanze-stad, thans meer van beteekenis voor de veilingen van groenten en eieren; verder door de gloeilampenfabriek, enz.; Roermond, ook met groote groenten- en eierenveilingen, tevens een belangrijke botermijn, — In Z.-L. zijn kleine gemeenten karakteristiek, terwijl enkele zeer sterk zijn vooruitgegaan. Zoo telde Heerlen in 1822 3670 inw., in 1918 26.570. De grootste plaatsen zijn Maastricht (in 1918 40.500) met veel industrie (aardewerk, bierbrouwerijen, zinkwit, papier); Valkenburg en Gulpen zijn toeristen-middelpunten. Mijnbouwplaatsen zijn Heerlen, Kerkrade (26.570 inw.). Schaesberg, Hoensbroek, Eigelshoven, Terwindselen, Heerlerheide, Spekholzerheide. Sittard (bijna 10.000 inw.) is een oud marktstadje.

Landschap en boerenhuizen. Zuid-L. bestaat uit eenige golvende hoogvlakten, die in ’t algemeen naar het N. hellen; de deelen worden gescheiden door dalen, die hun ontstaan gedeeltelijk aan verzakkingen, gedeeltelijk aan verdere erosie te danken hebben; de dalen vertoonen dan ook een meest asymmetrischen vorm: steile, vaak loodrechte rotswanden ter eener zijde ; een vlakken dalbodem en een langzame helling aan den anderen kant. Alleen de hooge rug in het Z. is met bosch bedekt ; de plateaux zelf zijn meest bouwland. Enkele toppen steken boven het lössdek uit en dragen heidevelden. Merkwaardig zijn ook de vele, beweide, boomgaarden. De boerenhuizen vertoonen nog vaak het Romeinsche villa-type; de verschillende gebouwen omsluiten een ongeveer vierkant plein, dat gedeeltelijk tot mestvaalt is ingericht. Het woonhuis, met het front aan de straat gelegen, heeft meest een verdieping ; er naast ziet men vaak twee overwelfde poorten, die toegang geven tot de dorschdeel en tot het binnenplein.. — Het Maasdal zelf is breed en vlak, aan weerszijden met steilranden begrensd, Noord-L. vertoont het zuivere zandlandschap met dien verstande, dat het grasland, het bouwland en de heidevelden en bosschen meer zonair geordend zijn ; het W. is nog steeds een oasen-landschap. Het oude boerenhuis-type vertoont in het voorste deel de keuken en verblijfplaats der bewoners; het achterste deel dient tot stalling van het vee en heeft een dorschdeel. — Zeer sterk is Z.-L. gemoderniseerd, ook wat den huizenbouw betreft, o.a. door den zoo sterk uitgebreiden mijnbouw en het toeristenverkeer. — Met betrekking tot het gebruik van den bodem kan L. verdeeld worden in N. en Z.-L.

Noord-L. bestaat uit zandgrond, behalve de gedeeltelijk afgegraven veengronden van de Peel en een smalle kleistrook langs de Maas. In 1910 was er 47.706 H.A. bouwgrond, 18.641 A. grasland en 2.875 H.A. tuingrond; in ’t algemeen dus nog een ongunstige verhouding tusschen bouw- en grasland. Wel wordt er al veel ontgonnen, vooral tot grasland, waartoe groote gedeelten uitstekend geschikt gemaakt kunnen worden. Als zoodanig kunnen genoemd worden het moerasveen in de Oude Maas- en Niers-beddingen langs de Duitsche grens, waar veel tot bouwland aangemaakt wordt, evenals de overige broekgronden tot bouw- en grasland. Van groote beteekenis is de verbetering van de afwatering (zie aldaar). Vaak is de gemeente zelf eigenares en gaat van haar de ontginning uit, die dan meest door de Heide-Maatschappij wordt bewerkt. Wenscht de gemeente de gronden niet zelf te ontginnen, dan worden ze gewoonlijk aan den meest biedende op langen termijn verpacht (30—50 jaar). Bij deze ondernemingen staat de graanbouw op den voorgrond, ofschoon ook reeds veel tot den verbouw van andere gewassen is overgegaan.

Hier en daar zijn reeds groote vloeiweiden aangelegd. — In verband met de schaarschte aan grasland wordt in den zomer minder vee gehouden dan ’s winters en melkt men zelfs voornamelijk op stal; daartoe laat men het vee tegen den herfst kalven. Ook moet veel hooi worden bijgekocht op de grasverkoopingen langs de Maas. — Evenals in alle zandstreken staat de akkerbouw met rogge als belangrijkste produkt, in dienst van de veeteelt. Het oprichten van stierenvereenigingen, enz. getuigt van een opgewekt leven op ’t gebied der rundveehouderij. De varkenshouderij is er belangrijk, terwijl ook de kippenhouderij van zeer veel beteekenis is. L. staat, ook al door het werken der V. P. N., bovenaan. In sommige gedeelten is de tuinbouw van steeds meer beteekenis geworden.

Het belangrijkste centrum is de omgeving van Venloo met omvangrijke groententeelt, ook de omgeving van Roermond, de gemeente Horst. De fruitteelt heeft minder beteekenis dan in Z.-L. Veel vruchtboomen komen voor in de gemeenten Grubbenvorst, Wanssum en Meerloo.— In N.-L. overweegt het kleinbedrijf. In geen gebied beslaan de bedrijven van 1—5 H.A. een zoo groot deel der oppervlakte als hier. 57 % van den grond wordt door eigenaars geëxploiteerd. Bij de kleine overweegt dus de eigendom ; bij de groote bedrijven de pacht.

Z u i d-L. bestaat grootendeels uit löss. Alleen in enkele gemeenten langs de Maas vindt men alluviale klei. Het gebied omvat 43.244 H.A. bouwgrond, 9.552 H.A. grasland en 8.289 H.A. tuingrond. Echter dient opgemerkt te worden, dat deze laatste grootendeels beweide boomgaarden zijn. Van het bouwland wordt 71 % met graan (meest rogge, verder tarwe en haver) en 12.5 % met aardappelen beteeld. Ook hier worden de producten van den landbouw meest aan het vee opgevoerd, zoodat de opbrengsten uit het bedrijf grootendeels moeten komen van den verkoop van dierlijke producten. Er is dan ook een zeer belangrijke rundveestapel. De melk wordt grootendeels in fabrieken tot boter verwerkt.

De varkenshouderij is van groote beteekenis, er wordt zoowel gefokt als gemest. Ook de kippenhouderij bloeit hier, terwijl op de groote boerderijen veel aan paardenfokkerij gedaan wordt. — De ontwikkeling van den mijnbouw in dit gebied brengt mede een schaarschte aan werkkrachten in het landbouwbedrijf, waardoor er groote neiging ontstaat het grasland te vermeerderen. De nieuw-aangelegde weiden worden dan direct met vruchtboomen, meest appelboomen, bezet. In de omgeving van Maastricht ontwikkelt zich de groententeelt zeer. Naast een zeer groot aantal kleine bedrijven meest van 1—5 H.A. zijn er ook een groot aantal groote bedrijven van 40 tot 110 H.A. In Z.-L. overweegt het pachtwezen; slechts 36.5 % wordt door eigenaars geëxploiteerd. Evenals in N.-L. komt ook hier de pacht meer voor bij de groote dan bij de kleine bedrijven. Wat den tuinbouw betreft, deze heeft zich al zeer ontwikkeld o. a. door den afvoer naar het Rijnsch-Westfaalsche industriegebied ; bij Horst kweekt men asperges en snijboonen, bij Amerika: erwten, boonen en augurken ; bij Venloo : augurken, wortelen, prei, boonen en kool. Bij dit voorname gebied behooren ook Blerik, Maasbree, Velden, Grubbenvorst en Tegelen, waar overal de glascultuur zich zeer uitbreidt.

Bij Roermond kweekt men komkommers, evenals te Wessem en Buggenum. Bij Maastricht en omgeving (St. Pieter, Oud-Vroenhoven, Amby, Heer en Gronsveld) vroege aardappelen, prei en kool, verder Brusselsch lof en champignons o. a. in den St. Pietersberg. De Limburgsche boomgaarden beslaan 6000 H.A. d.i. 1/4 van die van Nederland, meest met appel- en pereboomen, ook pruimen. Ook worden in het Z. veel kersen gekweekt. De Vereeniging tot bevordering van Tuin- en Landbouw in L. doet veel aan verbeteringen. Boomkweekerijen vindt men vrij veel bij Venloo (Lottum, Meerloo en Wansum). — Door de talrijke, bijna alle coöperatieve zuivelfabrieken heeft Maastricht verreweg de belangrijkste botermijn van ons land (in 1913 4.9 millioen K.G.); zijn veemarkten (runderen, varkens en paarden) zijn minder belangrijk dan die van Valkenburg.

Ook de kippenhouderij bloeit, zooals reeds gezegd : de eiermijnen van Roermond en Maastricht zijn wel de belangrijkste van Nederland. Het aantal heideschapen neemt voortdurend af in N.-L., waar men langs de Maas en de bijstroomen grasland vindt; daar langs ligt in strooken het bouwland ; daarachter de heidevelden en de dennebosschen. — Wat de ontginning betreft, deze wordt door de slechte afwatering al zeer bemoeilijkt. Vooral door onvoldoende waterloozing in den herfst, den winter en het voorjaar wordt de productiviteit van groote terreinen belangrijk verminderd en zelfs de ontginning van groote terreinen belet, niettegenstaande de kwaliteit van die nu nog woeste gronden van dien aard is, dat zij zeer geschikt in vruchtbaar kultuurland kunnen veranderd worden. Nergens in Nederland heeft men de natuurlijke afwatering zooveel hinderpalen in den weg gelegd als hier en wel door het oprichten en in stand houden van een groot aantal watergraanmolens of soms houtzaagmolens. Daartoe zijn vele stuwen aangelegd. Gevolg is, dat bijna overal langs de beken moerassige broekgronden liggen, die in gebruik zijn als slechte weiden of kwijnende bosschen van hakhout. Vaak is een voldoende drooglegging mogelijk zonder bemalingswerktuigen, alleen door de watermolens te verwijderen en den loop der beken te normaliseeren. Partijschap en onkunde hebben tot heden de verbetering tegenhouden.

Verder is een groot gebrek het ontbreken van waterschappen, waarvan er in L. nog slechts 4 bestaan. — De oprichting van de 2 groote Waterschappen (de Vlootbeek en dat van Weert) heeft ten gevolge gehad, dat honderden H.A. plassen en moerassen veranderd zijn in goede weiden en vruchtbare bouwlanden. Ook de strijd tusschen de belangen der gebruikers van de hooge en de lage gronden is een der oorzaken, dat de afwatering op vele plaatsen verwaarloosd wordt. — In het Maasdal is de toestand ook al zeer onvoldoende. De kanalisatie van de Maas zal er nog wel zijn invloed doen gelden ; verbeterd zal ze worden door afwateringskanalen, welke op een lager pand zullen loozen. De overlast der zeer hooge Maasstanden zal door de kanalisatie wel niet verminderd worden. Wanneer aan Noord-Limburg een doelmatige waterlossing gegeven wordt, zal de toestand van den landbouw en de veeteelt er al zeer kunnen verbeteren. — Het grootste deel der ontginningen betreft den aanleg van bouw- en grasland.

Vooral het moerasveen in de Oude Maas- en Niersbeddingen langs de Duitsche grens is tot bouwland aangelegd. In verschillende deelen is de gemeente eigenares van zeer geschikte lage heidegronden, welke thans ontgonnen worden. De gemeenten doen het zelf of verpachten op langen termijn (30—50 jaar) den woesten grond dan. In verschillende gemeenten wordt de ontginning ook door kloosters of kerkbesturen ter hand genomen.

De bruinkoollagen in Zuid-Limburg, die eerst door den wereldoorlog beteekenis gekregen hebben, zijn niet van denzelfden ouderdom. Die aan de W.zijde van de verschuiving, als Sandgewand bekend, zijn in het mioceen gevormd, die aan de Oostzijde van genoemde breukrand zijn jonger (plioceen). De oudere lagen zijn de dikste (tot 10 M.) en liggen ingesloten door helder witte zandlangen, de jongere liggen meest tusschen leemlagen, ook wel bevatten ze dikke kwartsgrindlagen. De oudere bruinkoolvorming wordt door Klein opgevat als een strandvorming ; de jongere als een riviervorming. Mogelijk is deze van elders aangevoerd. De oudere is, evenals onze steenkolen, zeer zeker autochtoon, d. w. z. op de plaats zelve ontstaan. — Dat ze eerst tijdens nijpend brandstofgebrek in ontginning kwamen, behoeft geen verwondering: één wagon bruinkool, waarvoor dezelfde vracht betaald moet worden als één wagon steenkool, bevat slechts 1/3 van het aantal calorieën van de laatste ! Ook zijn onze bruinkoollagen niet dik, terwijl de deklagen vaak minstens dezelfde dikte hebben. Op de velden Energie, Heerlerheide en Graetheide geschiedt het afgraven met de hand, op Carisborg met excavateurs. — In 1898 werd de eerste concessie aangevraagd en wel voor het veld Carisborg ten N. van Heerlerheide, waar men in 1917 pas tot ontginnig overging. In 1918 waren in werking: Carisborg I, Energie (Bergerrode), Heerlerheide, Brunahilde I en II, Graetheide, Heiman, Goswinus Lunerschlosshof.

De totaal bekende voorraad bedroeg 17.000.000 ton. In 1918 produceerden : de Carisborg 565.730 ton ; Bergerode 794.723, Louise-groeve 4.945, de Leschy 51.333, de Leenhorst 8.886 ton, samen 425.617 ton, De toekomst van het bedrijf is niet schitterend: bij gelijkblijvende productie is in weinige jaren alle bruinkool opgeruimd; wordt de steenkool weer volop verkrijgbaar, dan zal men er niet aan denken, bruinkool te blijven gebruiken. Echter is het mogelijk, dat zich hier nieuwe industrieën vestigen ; zooals glasfabrieken en die voor kleiwaren.— De L. steenkool-mijnbouw dateert reeds van 1113, toen reeds op de bezittingen van de graven van Saffenberg door de monniken van de in 1104 gestichte abdij van Rolduc kolen gedolven werden. Eerst ging men niet dieper dan het niveau van de Worm, in de 17e eeuw wel al, zoodat in de 18e eeuw men reeds 200 M. beneden dit niveau bereikt had. De ontginning geschiedde ook door particulieren tot 1723 toen de abdij den volledigen eigendom kreeg over de toen bekende velden, tot 1793, toen, de mijn aan den Franschen Staat overging. Na verkoop van gebouwen, enz. behield de regeering zich het domeinrecht voor van een stuk mijngrond, de Domaniale mijn (545 H.A.); andere stukken kwamen aan particulieren, die later NeuprickBleyerheide ontgonnen ; deze beide mijnen waren tot 1899 de eenige Ned. kolenmijnen. — In 1846 droeg de Ned. regeering de Domaniale mijn voor 99 jaar over aan de Aken—Maastrichtsche Spoorweg-Mij. De exploitatie van den spoorweg is echter overgegaan aan de S.S. en nu is de Aken— Maastrichtsche Spoorweg-Mij. nog slechts een mijn-exploitatie. — Concessies werden in 1860 en ’61 gegeven aan de Willem- en Sophie, verder nog aan Laura en Vereeniging, in 1893 OranjeNassau, die in 1898 ook de concessie Carl krijgt. In 1899 werd een Staatscommissie ingesteld met het doel te onderzoeken, welke terreinen van Staatswege behoorden te worden ontgonnen.

In 1901 werd daartoe een terrein van 16.400 H.A. beschikbaar gesteld, dat in 1911 en ’12 nog uitgebreid werd. In 1903 werd begonnen te Schaesberg (Wilhelmina), in 1906 te Hoensbroek (Emma), in 1910 te Brunsum (Hendrik), in 1915 te Lutterrade Geleen (Maurits). In ’t geheel zijn er thans 10 mijnen (in 1904 is de mijn Neuprick-Bleyerheide verlaten) en wel: de domaniale te Kerkrade; Willem Sophie te Spekholzerheide; 3 Oranje-Nassau mijnen te Heerlen, Schaesberg en Heerlerheide ; Laura en Vereeniging te Eygelshoven en de 4 bovengenoemde staatsmijnen van deze zijn de Maurits en de O.Nassau III nog in het stadium van aanleg. Het Eindverslag der Rijksopsporingsdienst geeft boven 1200 M. diepte nog als voorradig 3.165.903.527 ton. De staatsmijnen Emma en Hendrik zijn de voornaamste producenten van vetkolen, terwijl Maurits vooral gaskolen zal leveren. — In 1917 leverde netto : de Dom. mijn 467.680, de O. N. I en II 747.662, de Willem 247.000, Laura 453.244, de Wilhelmina 488.632, de Emma 557.237, de Hendrik 46.470 ton d. i. samen 2.016.440 ton.

Daarbij kwam aan kolenslik nog 118.087 ton. — De electrificatie van de bedrijven maakt steeds grooter voortgang. Het personeel, zoowel bovenals ondergrondsch, bedroeg in 1917 15.028, waarvan 10.922 ondergrondsch. In 1913 bleef 36 % van de kolen in Nederland, in 1917 100 %. Dat vóór den oorlog zooveel naar het buitenland ging, was voor een niet gering gedeelte te wijten aan de slechte verbinding met het overige gedeelte van Nederland, terwijl ook invloed had de mindere gewildheid van de Z.-L. steenkolen ten onzent. — De exploitatie van kalksteen voor kalkbranderij, tijdens den oorlog vrij belangrijk, is nu zoo goed als geheel opgegeven. Eenig gebruik van zuiver zand van de Heerlerheide voor witglas en de klei van de Brunsumer Heide voor vuurvaste steen.

Litt.: Wat de vorming dezer provincie betreft, zie J. J. de Wit en A. J. A. Flament, De vorming der heerschappijen op het grondgebied in Limburg, 1911, en W. H. F. Bannier, De wording van Limburg (Handelingen 4e Ned. Philologen Congres 1904). Voor het ontstaan van den bodem: Staring, De Bodem van Nederland (ook de „2e” druk, bewerkt door J. van Baren); studies van Erens, v. d. Binkhorst, tevens de Jaarverslagen en het Eindverslag der Rijks Opsporing van Delfstoffen. Wat de middelen van bestaan betreft: Verslagen en Mededeelingen van de Directie van den Landbouw, vooral 1912, No. 3 en 1917, No. 1, verder Everwijn, Beschrijving van Handel en Nijverheid in Nederland 1913. Voor de kanalisatie van de Maas : Rapport van de Nederlandsch-Belgische Commissie, ingesteld tot onderzoek van de kanalisatie van de gemeenschappelijke Maas, 1913 ; Bongaerts, Een nationaal belang van groote beteekenis ; v. Poll, het Maas–Waal-Kanaal. In het Tijdschrift voor Econ. Geographie (1919, afl. 6 en 7)

verscheen van de hand van Prof. Dr. H. Blink en Dr. C. J. van Nieuwenburg: Limburg, als Economisch–geographisch en staatkundig gewest in ’t Verleden en Heden. Dr F. Rutten schreef „Ons Mooie Limburg” (Meulenhoff), terwijl het Limburgsche Jaarboekje vaak heel wat historische en economische bijzonderheden geeft.

Geschiedenis. De oudste sporen van bewoners dagteekenen uit het neolithische tijdvak, gelijk men heeft kunnen nagaan uit bijlen van groensteen, gevonden in het Z.

van deze provincie. Bij ’t begin van onze jaartelling woonden in ’t N. de Cugerni en in ’t Z. de Eburones, beide behoorende tot de WestGermanen. Nadat zij reeds in aanraking waren geweest met Jul. Caesar, werden zij ± 15 v. C. onderworpen door Drusus. Vele nederzettingen zijn hier vooral in ’t Zuiden gesticht door de Romeinen. De voornaamste was Trajectum (Maastricht), de plaats, waar de heerweg over de Maas ging. Reeds vrij vroeg vond ’t Christendom hier ingang. In ’t midden der 4e eeuw vond men bloeiende Christengemeenten in ’t Zuiden.

Tijdens de volksverhuizing ging de bestaande beschaving te niet. De Cugerni gingen op in in de Salische Franken, terwijl de Midden-Frankische Chamaven een gedeelte van ’t Zuiden van dit landschap bezetten. In de 6e eeuw werd ’t Christ. opnieuw hier verkondigd en was Maastricht zelfs een tijdlang zetel van een bisschop (o. a. S. Monulphus 558—597). ’t Landschap maakte deel uit van ’t Frankische rijk en het geslacht der Karolingen moet in het Zuiden vele goederen bezeten hebben, o. a. te Meersen, ’t Noorden vormde de gouw Masau, ’t Zuiden behoorde tot de gouw Luikgau. Van de gesch. der gouw Masau is weinig bekend. Leden van ’t geslacht van Reginar Langhals hebben hier geregeerd. Een der bekendste graven was Ansfried, die behalve over Masau ook over andere grf.

regeerde en later afstand deed van zijn waardigheid om bisschop te worden van Utrecht (995). Gaandeweg is Masau gesplitst in tal van heerlijkheden o. a. Kessel, Hoorn, Wassenberg en Valkenburg. Doordat een belangrijk deel van Luikgau kwam aan den bisschop van Luik, kreeg deze ook bezit in ’t tegenw. Limburg (Maastricht met omgeving).

Kessel kwam in 1279 aan Gelre, Valkenburg in de 14e eeuw aan Brabant, dat in 1288 ’t hert.

Limburg en dus ook ’t daartoe behoorende deel van ’t teg. Z.-Limb., had gekregen. Wassenberg kwam aan Gulik. Zoo behoorde ’t teg. L.

in de 15e eeuw voornamelijk aan drie vorsten, de hertogen van Gelre en Brabant en den bisschop van Luik. Na de vereeniging van Gelre met de overige Ned. gew. (1543), was ’t grootste deel onderhoorig aan de Habsburgers.

De 80-j. oorlog bracht hierin een belangrijke verandering. Door den veldtocht van 1632 slaagde Frederik Hendrik er in o. a.

Maastricht met ’t teg. Z.-Limb. te veroveren, zoodat dit 1648 als Staats-Limb.

toegevoegd werd aan de Rep. der Ver. Ned.;

’t Noord. stuk bleef als Spaansch Opper-Gelre aan Spanje, terwijl een klein gedeelte nog behoorde aan Luik. In 1713 kwam in dezen toestand wederom een wijziging. Bij den vrede van Utrecht werd Sp. Opper-Gelre gedeeld tusschen Pruisen en de Rep., Roermond, Venlo met omgeving kwamen aan de Rep., terwijl ’t Noorden van ’t teg. L. bleef aan Pruisen. Zoo bleef de toestand tot 1798 toen ’t teg. L. kwam aan de Fransche Rep. In 1815, toen ’t Weener Congres de grenzen van ’t Kon.

Nederland vaststelde, kwam L. aan Nederland en vormde ’t gew. in staatk. opzicht voor ’t eerst een eenheid.