Oosthoek encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Gepubliceerd op 10-01-2019

Koning

betekenis & definitie

Koning - Het woord, dat te oordeelen naar verwante vormen in ’t Finsch, reeds vroeg in ’t Germaansch moet voorgekomen zijn, beteekent waarschijnlijk „zoon van een man van voorname afkomst', ’t Begrip „persoon van aanzienlijk geslacht” is dan ook gehecht aan den naam koning bij de Germaansche stammen. Gezag had hij feitelijk niet, wetten kon hij niet geven, terwijl de leden van den stam niet den plicht van gehoorzaamheid hadden, maar alleen dien van trouw. Eenigszins anders wordt het begrip koning tijdens de volksverhuizing. De koning is verplicht de leden van den stam te beschermen (sermo regius); oud-Germaansch is nog de koningsban, waardoor hij zorgt voor veiligheid en rust in ’t gebied van den stam, terwijl als Romaansche bestanddeelen van zijn macht moeten genoemd worden ’t recht om bijdragen te vorderen van de leden van den stam.

Als teeken van de waardigheid draagt de Merov. koning de speer. Gaandeweg krijgt de koning nu verschillende voorrechten als ’t slaan van munt, ’t heffen van tol, ’t geven van voorrechten aan personen (regalia). Meer en meer krijgt ’t koningschap een theocratisch karakter, gelijk blijkt uit de kroning en zalving, die geen essentieele kenmerken zijn van ’t koningschap, daar dit nog altijd de verkiezing door den stam of ’t volk is. Ging de Merov. koning nog rond onder de bevolking om zich als ’t ware te doen erkennen, hiervan is geen sprake meer onder de Karolingen. Allerlei attributen als troon, scepter, zwaard, koningsmantel komen er nu bij. De k. noemt zich voortaan per misericordiam dei rex (k. bij de gratie Gods). Daar de macht van de k. berustte op ’t aantal mansch., dat hij op de been kon brengen en dit door ’t wegschenken van land of ’t geven van land in leen,’t afstaan van rechten, enz.(zie LEENSTELSEL) aanmerkelijk verminderde, ging ’t aanzien van ’t koningschap onder de opvolgers der Karolingen sterk achteruit. Onder de Midd. koningen kwam ’t begrip rijksgezag en centraal gezag in de plaats van ’t oude persoonlijk gezag van den k. Invloed kregen toen de aanzienlijken, die den raad vormden van den k. — Litt. v. Sybel, Entstehung des deutschen Königstums ; Brunner, Rechtsgeschichte; Schroeder, Deutsche Rechtsgeschichte.

< >