Kanker betekenis & definitie

Kanker, - carcinoma. Oorspronkelijk is de naam carcinoma door Galenus ingevoerd voor harde gezwellen der vrouwelijke borst, waarbij de uitgezette bloedvaten, die blauw door de huid heenschemeren, min of meer gelijkenis met pooten van een kreeft vertoonen. In het Duitsch heet kanker nog „Krebs”, in het Grieksch is kreeft karkinos. Later is de naam op allerlei gezwellen toegepast, ook op zulke, die met de eigenlijke k. absoluut niet te maken hebben. Tegenwoordig noemt men k. een boosaardig, epitheliaal, woekerend gezwel, dat het orgaan, waarin het zetelt, vernietigt, en neiging heeft tot de vorming van metastasen.

Aangezien k. een uit epitheelcellen opgebouwd gezwel is, gaat het oorspronkelijk ook steeds van een epithelium uit. Zoo kan het dus uitgaan van de huid, van klieren, van slijmvliezen, enz. Het karakteristieke is de woekering. De cellen vermeerderen zich sterk en groeien in alle richtingen in het omgevende weefsel, daarbij geen enkele grens respecteerende en alles vernietigende, wat zij ontmoeten. Komen daarbij kankerdeeltjes in de lymphevaten, dan zullen zij langs deze vaten naar de tot het gebied van het primaire gezwel behoorende lympheklieren worden verplaatst en daar aanleiding tot nieuwe gezwellen, metastasen, geven. — Ter onderkenning van verschillende vormen van kankergezwellen dient het gedrag der, het gezwel opbouwende, cellen. Een cellenrijke k. wordt medullair k. genoemd; een celarm, tot schrompeling geneigd gezwel heet scirrhus. Van de opperhuid uitgaande en daarop gelijkende gezwellen worden als cancroïden onderscheiden. Een kankergezwel is, zooals trouwens zoovele gezwellen, die uit jeugdig, zich sterk vermeerderend weefsel bestaan, zeer vatbaar voor infectie.

Ontstekingen, veretteringen van kankergezwellen, met doorbraak kwamen vroeger herhaaldelijk voor; in den modernen tijd met zijn anti- en asepsis veel minder. — De verschijnselen van k. zijn van plaatselijken en van algemeenen aard. De plaatselijke verschijnselen zijn natuurlijk afhankelijk van het orgaan, waarin het gezwel gezeteld is, b.v. in de huid (lip, geslachtsorganen), in de borst, in slokdarm, maag of darmkanaal, in de luchtwegen, de inwendige geslachtsorganen (vooral bij de vrouw), enz. Naast verschijnselen als die van pijn, druk, enz. die onmiddellijk door het gezwel veroorzaakt worden, zijn het zulke, die op een stoornis in de functie van het aangetaste orgaan wijzen. De algemeene verschijnselen zijn die van een vergiftiging van het lichaam. Men voelt zich onwel, verlies van eetlust, vermagering, een eigenaardige vaalbleeke kleur van de huid treden op en onder toenemende cachexie treedt ten slotte de dood in. — Kanker is in het algemeen een afwijking van den middelbaren en ouderen leeftijd, hoewel ook bij jeugdige personen herhaaldelijk reeds k. wordt aangetroffen; het schijnt zelfs dat de k. een neiging vertoont steeds jongere menschen aan te tasten. De kankersterfte beneden het 40e jaar bedraagt 4% van de totale sterfte. Zeer merkwaardige resultaten heeft het onderzoek naar de sterfte van k. in den loop der jaren opgeleverd.

Stierven toch in de jaren 1884-1889 op 10.000 levenden 11,2-37,6 menschen aan k., in de jaren 1909-1914 waren deze getallen 25,1-53.8 per 10.000. Hieruit volgt dus, dat k. sterk in frequentie toeneemt, want de betere diagnostiek is zeker niet alleen voor deze steeds grooter wordende kankersterfte aansprakelijk. De uiteenloopende cijfers b.v. van 1909-1914, een minimum van 25,1, een maximum van 53,8, vinden hun oorzaak daarin, dat k. niet gelijkmatig over het land verspreid is. Bestudeert men het geheele land, dan blijken er merkwaardige verschillen te bestaan. Bij een vergelijking tusschen Friesland en Limburg, zooals Deelman (Geneesk. Bladen 1919) heeft gedaan, blijkt, dat op 10.000 inw. in de beide provincies de volgende sterfgevallen door kanker voorkomen:

Friesland Limburg 1912 13 8,05 1913 14,10 7,65 1914 13,40 7,90 1915 14,40 8,30 In Friesland komt dus aanmerkelijk meer k. voor dan in Limburg. Een vergelijkende studie leert ons, dat in het algemeen in het Noorden van het land meer k. voorkomt dan in het Zuiden. Waar men nu mogelijke oorzaken, als hygiënische verhoudingen, woning, welstand, enz. kan uitsluiten, is het wel waarschijnlijk, dat men hier te doen heeft met een verschil in gevoeligheid van verschillende rassen en dat daarvoor de Friesche bevolking gevoeliger is dan de Limburgsche (zie NEDERLAND, anthropologie). Trouwens is dit verschil in gevoeligheid van rassen welbekend; wij weten b.v., dat k. en andere kwaadaardige gezwellen bij inlanders van onzen Archipel zoo goed als niet worden aangetroffen. — Omtrent de oorzaak van k. tast men in het duister. Wel heeft men gemeend met een (bacterieele?) infectie te doen te hebben, hebben ook proeven de overdraagbaarheid aangetoond; zekerheid bestaat hier allerminst.

Wellicht dat onderzoekingen in bepaalde daarvoor ingerichte instituten, zooals wij in Nederland in het Antoni van Leeuwenhoek-laboratorium in Amsterdam bezitten; gunstige uitkomsten zullen opleveren. De prognose van k. is in het algemeen ongunstig. De behandeling is meestal een chirurgische, het gezwel wordt uitgesneden. Daarnaast opent zich voor de bestralingstherapie, de behandeling met Röntgenstralen, radium, enz. een hoopvolle toekomst.