Oosthoek encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Gepubliceerd op 10-01-2019

Josia

betekenis & definitie

Josia, - koning van Juda (640—609 v. Chr.), zoon en opvolger van Amon. De achteruitgang van Assyrië’s macht, het daardoor sterker worden der anti-Assyr. partij in Juda, de dreigende Scythen-invasie („de vijand uit het N.”), de 8-jarige leeftijd van J„ de toenemende invloed van de Jahwepriesters: dat alles maakte den tijd gunstig voor een ingrijpende hervorming van den kultus; het voorbeeld van J.’s overgrootvader Hizkia werkte na, Een in den tempel te Jeruzalem gevonden wetboek vormde den grondslag van een reeks krachtige maatregelen, waardoor de eeredienst werd geconcentreerd te Jeruzalem (623); zie HILKIA, HULDA, DENDERA. Gewoonlijk vereenzelvigt men dat wetboek met de hoofdzaak van Deut. 12—26; doch vele gedeelten dezer hoofdstukken zijn aanmerkelijk ouder dan J.’s tijd.

Toen Farao Necho, bij het ineenstorten van ’t Assyr. rijk, de oude aanspraken van Egypte op Syrië wilde doen gelden, verzette J. zich en sneuvelde bij Megiddo (609). Zijn dood maakte in Juda een geweldigen indruk, omdat men gemeend had, dat J. wegens zijn diepe vroomheid voor zoo’n tragisch einde zou bewaard zijn. 2 Kon. 22 v.

< >