Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 10-01-2019

Israël

betekenis & definitie

Israël. - Geschiedenis. De voorgeschiedenis van I. naar traditioneele opvatting wordt in Genesis en begin Exodus verhaald in den vorm van familie-geschiedenis (zie AARTSVADERS); enkele personen stellen soms heele stammen voor. Maar vele trekken in die verhalen zijn geen stamgeschiedenis, doch vertegenwoordigen oude populaire verhalen (soms verbonden met lokale sagen van Kanaaneeschen oorsprong), of ook tradities met vage herinneringen aan historische personen. — De voorvaderen van I. waren half-nomaden (dezen oefenen ook landbouw uit, in onderscheiding van de echte nomaden), verwant aan de Arameërs. Dit blijkt duidelijk uit de geschiedenis van Jakob. De „12 zonen van Jakob” vertegenwoordigen de stammen Israëls: de z.g. Lea-stammen zijn Ruben, Simeon, Levi, Juda, Issaschar, Zebulon; de Rachel-stammen Jozef (Efraim en Manasse), en Benjamin; de niet-zuiver Israëlietische stammen (voorgesteld als zonen der bijvrouwen) zijn Dan en Naftali, geboren uit Bilha; Gad en Aser uit Zilpa. — De voorvaderen van I. zijn (ten deele?) naar Gosen in Egypte getrokken en hebben er geruimen tijd vertoefd.

Dit moet wel zijn geweest in de periode der zgn. Hyksos (18e en 17e eeuw v. Chr.). Deze Hyksos waren West-Semieten (hetgeen Ed. Meyer tegenwoordig toegeeft); zij hebben ± 1700 Hebron en wat later Tanis gebouwd, als strategische steunpunten; zij ontvingen die voorvaderen van L, welke aan hen verwant waren, op welwillende wijze. Later echter hebben de Egypt. koningen, vooral Thoetmes III (1501—1447) die Semietische halfnomaden in Gosen onderdrukt en tot zware heerendiensten geprest. Onder leiding van Mozes, die Jahwe, den ,,God der vaderen” verkondigde, zijn de Israëlieten uit Egypte weggetrokken, waarschijnlijk ± 1440 v. Chr. Bij den berg Sinaï bracht Mozes, in naam van Jahwe, die zijn volk I. met verheven hand uit het slavenhuis had bevrijd, een verbond tot stand. Een menschenleeftijd vertoefde het volk in de steppen, waarsch. bij KadesBarnea. Over de redding uit Egypte en ’t verblijf in de woestijn, zie UITTOCHT. — Het binnendringen van I. in Kanaãn (zie INTOCHT) vormt een onderdeel van uitgestrekte stammenverschuivingen, aan de grenzen van de „Syrisch-Arabische woestijn”; de O.-Test.e traditie weet nog, dat de Hebreen niet slechts I., maar ook Edom. e. a. volken omvatten.

De groote Voor-Aziatische mogendheden en Egypte zijn in deze periode alle krachteloos, Kanaan is (in tegenstelling met vroegere en latere eeuwen) aan zichzelf overgelaten; vandaar dat men aan ’t O. T. volstrekt niet merkt, dat Kanaãn officieel eigl. een Egypt. prov. is. — De Israëlieten vermengden zich met de Kanaanieten en namen veel van hun beschaving over; ook van hun godsdienst (heiligdommen, kultische gebruiken). Het gevaar voor syncretisme bedreigde ook I.’s volksbestaan, dat met ’t Jahwisme ten nauwste was verbonden; ook doordat de oude stamindeeling (berustend op bloedverwantschap) plaats begon te maken voor lokale indeelingen — het stamverband werd staatverband — verzwakte ’t gevoel van nationale eenheid. Van tijd tot tijd stonden in deze „Richteren”-periode (± 1100 v. Chr.) plaatselijke leiders op, die hun stam verdedigden tegen vijanden van buiten (Moabieten, Filistijnen, enz.) en tegen overheersching van Kanaanieten; zie b.v. DEBORA, GIDEON. Zij wisten 't godsdienstig besef te verlevendigen, en soms enkele stammen tot gemeenschappelijken strijd aan te vuren. Hier moet vermeld worden een voorloopige poging tot een koningschap in ’t aloude Sichem, zie ABIMELECH.

De veelal ongelukkige strijd tegen de opdringende Filistijnen, die ten slotte Silo verwoestten en de vlakte van Jizreël bezetten, bracht I. in grooten nood. De tegenspoed drong tot aanéénsluiting van I.’s stammen, tot centralisatie onder een koning. Samuël, de ziener, vond in Saul uit Benjamin den geschikten man, en zalfde hem tot koning. Saul redde zijn volk, maar kwam met zijn zonen om in den oorlog.

David (± 1000 v. Ch,.) had zich eerst, te Hebron, tot koning laten uitroepen; weldra werd hij ook koning over Israël. .Hij koos het pas veroverde Jeruzalem tot zijn residentie, onderwierp de Filistijnen en breidde de grenzen van zijn rijk naar alle zijden uit. Zijn zoon Salomo organiseerde het staatsbestuur, en liet zijn volk volop deelnemen aan de Voor-Aziatische kuituur, gelijk blijkt uit zijn bouwwerken (hofburg met Jahwetempel) en zijn handelsondernemingen ; Salomo vertegenwoordigt de bloeiperiode van I.’s kuituur. — Na zijn dood viel zijn rijk uiteen (933); Israël (Efraim) en Juda stonden voortaan apart; waarsch. werkte hier ook de invloed van Egypte’s ,,verdeel-enheersch”-politiek. De strijd tusschen Jerobeam en Rehabeam duurde onder hun opvolgers (Nadab, Baësa, Ela en Zimri in I.; Abia en Asa in Juda) voort, een 60-tal jaren. Damaskus werd in den strijd betrokken; sindsdien was Aram geruimen tijd een belangrijke factor in I.’s geschiedenis. Omri (887—877) maakte zich vrij tegenover Damaskus en sloot een verbond met Fenicië; hij maakte Samaria tot zijn hoofdstad. I.’s macht steeg; Juda sloot vrede, maar werd I.’s vazal. Achab bevorderde het godsdienstig syncretisme en kwam zoodoende in botsing met Elia. Later was hij aan Aram onderworpen (in 854 streed hij tegen Salmanassar bij Karkar, als deelgenoot aan de Aramessche coalitie); bij een poging om zich van Damaskus vrij te vechten sneuvelde hij.

De. macht van Aram tegenover Israël en ook tegenover het verzwakte Juda was ongebroken. Jehu (842—815), een usurpator, roeide de dynastie van Omri uit; hierbij werd hij gesteund door de strenge Jahwistische partij. In Juda maakte Athalia (842—-836) zich meester van den troon. — In dezen tijd kwamen de Assyriërs steeds dreigender van ’t N. opzetten; Jehu zocht steun bij hen tegen Aram, waar de usurpator Hazaël nu regeerde. Deze nam daarvoor bloedige wraak op I., dat diep vernederd werd. Pas onder Joas en vooral onder Jerobeam II (783—743) herstelde I. zich en breidde zijn macht weer uit, ook tegenover Damaskus en Juda (zie AMAZIA). Het was een tijd van grooten voorspoed, al gaven de zedelijk-godsdienstige toestanden aanleiding tot de ernstige vermaningen van Amos en Hozea. Onmiddellijk na die bloeiperiode kwam, bij Jerobeam’s dood, groote verwarring en nood. Zijn zoon werd vermoord, de usurpator Sallum onderging hetzelfde lot.

Menahem (743—737), de candidaat der Assyrisch-gezinde partij, wist zich slechts door den zwaarsten, aan Tiglat-Pileser IV (745—727) betaalden, cijns op den troon te handhaven. Met Pekach (736—730) kwam de Arameesch-gezinde partij aan ’t roer; hij sloot een defensief verbond met Rezin (eigl. Razón) van Damaskus; in den „Syrisch-Efraimietischen oorlog” poogden zij Achaz van Juda (736—728) te dwingen, mede te doen. Deze vroeg hulp aan Assyrië; Tiglat-Pileser maakte Aram tot wingewest en liet Pekach door Hozea (730—722) vervangen. Bij de troonwisseling in Assyrië ontstond, onder Egyptischen invloed, in ’t W. een coalitie tegen Salmanassar (727—722); Hozea liet er zich ook toe overreden. Salmanassar sloeg in 724 ’t beleg voor Samaria; na 3 jaar werd de stad, tijdens Sargon’s regeering (722—705), veroverd; de voornaamste Israëlieten werden in ballingschap weggevoerd. Het N. rijk had opgehouden te bestaan (722). Zie verder SAMARITANEN.

Hizkia (727—669) onthield zich aanvankelijk van openlijke rebellie tegen Assur. Maar bij Sanherib’s (705—681) troonsbestijging nam Hizkia, geheel tegen de raadgevingen van Jesaja in, de leiding van een grooten opstand in Syrië en Babylonië (zie MERODACH-BALADA). Juda werd door Sanherib’s leger onder den voet geloopen, maar Jeruzalem werd niet genomen (701). Manasse (698—643) was vazal van Assyrië en voerde Assyr. godenkulten in Juda in. De Jahwistische reactie tegen dat syncretisme kwTam onder Josia (640—609) tot uiting; de kultus werd in monotheïstischen geest hervormd en op den tempel te Jeruzalem gecentraliseerd. De Assyr.-gezinde partij had haar invloed verloren, omdat Assur’s macht thans sterk zonk, o. a. door de aanvallen der Scythen en de vestiging van het Nieuw-Babylonisch rijk.

Egypte poogde nu zijn macht ten koste van Assyrië weer uit te breiden; Juda werd, onder Jojakim (608—597), vazalstaat van Farao-Necho (609—594). Deze werd echter bij Karkemis in 605 geheel verslagen; nu poogde hij door intriges Nebukadrezar afbreuk te doen en haalde Jojakim over tot afval van Baylonië. Het Chaldeesche leger veroverde Jeruzalem (597); Jojachin en de voornaamste Judeërs werden naar Babel weggevoerd; zie EZECHIËL. Later liet ook Zedekia (597—586) zich overhalen tot een complot met Egypte. Toen veroverde Nebukadrezar, na een beleg van IV2 jaar, Jeruzalem wederom, verwoestte de stad bijna geheel en liet de inwoners in ballingschap wegbrengen; de tweede wegvoering, het einde van den staat Juda (586), zie JEREMIA. Gedalja werd stadhouder over de achterblijvenden.