Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 24-01-2019

Handelingsbevoegdheid

betekenis & definitie

Handelingsbevoegdheid - De bekwaamheid om rechten te hebben (Rechtsbevoegdheid) brengt niet steeds mede de bevoegheid rechtshandelingen te verrichten. Zoo mist een minderjarige en een onder curateele gestelde in het algemeen handelingsbevoegdheid. De eerste wordt in het rechtsverkeer vertegenwoordigd door ouder of voogd (441, 1366, 1482, 1484, 1487, 1722, 1850, 2010 B. W.), de tweede door een curator (506 B. W.). Voor het maken van uiterste willen geldt die vertegenwoordiging echter niet (944, 500, 942 B. W.). Ook is hun bij het maken van huwelijksche voorwaarden zekere handelingsbevoegdheid toegekend (206, 506 B. W.). De minderjarige kan voorts door zijnen vertegenwoordiger worden gemachtigd arbeidsovereenkomsten aan te gaan (1637g, 1637h B. W.), behoudens de mogelijkheid, dat in het belang van den minderj. de overeenkomst weder door den rechter wordt ontbonden (1639m, 1639n B. W.). Zie ook art. 1638f B. W. — De getrouwde vrouw bezit slechts beperkte handelingsbevoegdheid. Zelfs indien zij buiten gemeenschap van goederen getrouwd is of van goederen gescheiden, kan zij zonder bijstand van haren man in de akte of zonder zijn schriftelijke toestemming niets geven, vervreemden, verpanden, verkrijgen, hetzij voor niet (zie ook art. 1721 B.W.), hetzij onder bezwarenden titel (163 B.W.). Zie echter hieronder het bepaalde bij art. 249 B.W. — Een machtiging van den man om zekere akte of verbintenis aan te gaan, sluit niet in de bevoegdheid om eenige betaling te ontvangen of daarvoor kwijting te geven.

Daarvoor is een uitdrukkelijke toestemming van den man noodig (163 B.W.). Ten opzichte van handelingen en verbintenissen, door de vrouw aangegaan, wegens alles wat de gewone en dagelijksche uitgaven der huishouding betreft, veronderstelt de wet, dat zij de vereischte bewilliging van den man heeft bekomen (zgn. Schlüsselgewalt der vrouw) (164 B.W.). Die bewilliging wordt ook verondersteld ten opzichte van arbeidsovereenkomsten, door de vrouw, als arbeidster, aangegaan. Zij kan op grond dier veronderstelling alle handelingen ter zake dier overeenkomsten, het geven van kwijting en het verschijnen in rechte daaronder begrepen, zonder bijstand van haren man verrichten. Zij is zelfs gerechtigd over hetgeen zij ingevolge de gesloten overeenkomst ontvangen of te vorderen heeft, ten bate van het gezin te beschikken (1637f B.W.). Ook kan een vrouw, met uitdrukkelijke en stilzwijgende toestemming van haren man openbaar koopvrouw zijnde, zich zonder diens bijstand verbinden, in en omtrent alles wat die koopmanschap betreft. Zij wordt voor een openb. koopvr. gehouden, wanneer zij afzonderlijk van haren man koopmanschap drijft. Indien de man zijn toestemming intrekt, is hij verplicht die intrekking openlijk bekend te maken (168 B.W.) en voor inschrijving in het handelsregister op te geven (art. 5 lid 5 Handelsregisterw.). — Een algemeene machtiging, zelfs bij huwelijksche voorwaarden (195 B.W.) bedongen, is niet verder geldig dan met betrekking tot het beheer der goederen van de vrouw (170 B. W.). Ook na scheiding van goederen heeft de vrouw slechts het beheer over haar vermogen; zij kan echter van den rechter een algemeene bewilliging bekomen om over hare roerende goederen te beschikken (249 B. W.).