Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 24-01-2019

Haarlem

betekenis & definitie

Haarlem - Hoofdplaats van de provincie Noord-Holland met 74.812 inw. op 31 Dec. 1917. Zetel van den Commissaris der Koningin. Het bisdom H., suffragaan van het aartsbisdom Utrecht, omvat 20 decanaten en omstreeks 260 parochies. Daar het bisdom Utrecht in de laat-Middeleeuwen te uitgestrekt bleek, om genoeg kracht te ontwikkelen tegen de opkomende ketterij, verdeelde Paulus IV het in 1559 in een aartsbisdom Utrecht met 5 suffragaanbisdommen, waarvan Haarlem het voornaamste was.

Het diocees Haarlem omvatte toen alleen de provincie N.-Holland. Het recht van bisschopbenoeming kwam aan Philips van Spanje. Kathedraal was de oude St. Bavo. Eerste bisschop was Nicolaas van Nieuwland 1561—1569 ; de tweede Godfried van Mierlo, die in 1572 vluchtte naar het Cisterciensen-klooster te Ter Kamere bij Brussel, in 1573 terugkwam, in 1578 opnieuw vluchtte en in 1587 te Deventer overleed.

In 1592 kwam heel R.-K. Nederland onder de jurisdictie van een vicarius Apostolicus en werd bijgevolg liet oude bisdom Haarlem een deel van de Hollandsche Missie. Na 1853, het jaar van het herstel der bisschoppelijke hiërarchie in de Nederlanden, omvat het diocees Haarlem N.-en Z.-Holland en de eilanden van Zeeland. Als bisschoppen zetelden : F. J. van Vree (1863—1861), C. P. Wilmer (1861—1877), P. M. Snickers (1877—1883), C. J. M. Bottemanne (1883—1903), A. J. Callier (1903).

H. behoort tot de oudste nederzettingen aan den O.duinvoet. Ongetwijfeld heeft veel tot de ontwikkeling van H. bijgedragen, de ligging aan het Spaarne. Toen dit in verbinding kwam met de steeds in omvang toenemende Haarlemmermeer, werd het de doorgangsweg van een groot achterland naar het IJ, de verbinding tusschen Amsterdam en Rotterdam. Deze gewichtige levensader werkte in zooverre ongunstig, dat het zilte IJwater herhaaldelijk het Spaarne binnendrong en de omringende landen overstroomde. Ten einde dit te keeren, werd reeds in 1253 een dam met sluis in het Spaarne gelegd, en het wekt verwondering, dat de nederzetting Spaarndam, die hier ontstond, een plaatsje van weinig beteekenis bleef, terwijl het meer landwaarts in gelegen H. zich tot stad ontwikkelde. Binnenlandsche twisten met Kennemers, West-Friezen en Waterlanders en vooral de strijd tegen de Spanjaarden veroorzaakten wel groote moeilijkheden, maar de stad wist zich door de zwaarste perioden heen te handhaven en nam vooral in de 17e eeuw door de komst van vele Refugiés, waarvan de nakomelingen nog steeds onder de burgers opvallen door hun Fransche namen, een groote vlucht. Zijde-, kant-, damaste. a. weverijen kwamen tot bloei, meer dan 10.000 menschen vonden alleen in dezen tak van nijverheid een bestaan; het heldere duinwater gaf aanleiding tot de oprichting van bleekerijen, die nog steeds zeer talrijk zijn, en ververijen. In de 2e helft der 18e eeuw verdween een groot deel van dezen bloei, het inwonersaantal liep terug van 39.000 in 1622 tot 26.000 in 1748, 21.000 in 1796, om in 1816 zelfs te dalen tot 17.400.

Toen begon een tweede tijdperk van ontwikkeling, waaraan tot heden geen eind is gekomen. De opkomst van de bloembollencultuur, waaraan H. den naam „bloemenstad” dankt, en de wereldexport, die daarvan het gevolg werd, maakte dat hier een belangrijke bollenhandel ontstond, o. m. blijkende uit de vestiging van een Bloembollenbeurs en de Alg. Ver. voor Bloembollencultuur. De meeste bollenvelden van H. zelf zijn veranderd in bouwgrond, maar de groote terreinen zoowel ten N. als ten Z. maken H. toch tot het centrum van de cultuur. Daarnaast heeft H. zich op industrieel gebied verbazend ontwikkeld. De ondernemingsgeest van enkelen heeft hier fabrieken e. a. inrichtingen doen ontstaan, die ook in het buitenland een uitstekenden naam hebben. Van de meest bekende nijverheid moge hier genoemd worden: de scheepsbouw en de daarmee verbonden machine-nijverheid. De Haarlemsche machinefabiek v.h. Gebr.

Figee vervaardigt vooral heimachines, hefwerktuigen (stoomlieren en kranen), smalspoormateriaal en werktuigen voor grondverzet. De bekende werf Conrad vervaardigt naast verschillende scheepstypen, werktuigen voor grondverplaatsing voor het maken van havens en kanalen, zandzuigers, hoppers, maar heeft vooral een wereldreputatie verkregen in het bouwen van emmer-, pers- en goudbaggermolens ; van de laatste werd bijv. geleverd naar Oosten West-Indië, Siberië, Chili enz. Ook de werf Hubertina, Jachtwerf en de Haarl. Scheepsbouw Mij. verdienen vermelding. Onder de andere fabrieken zijn zeer bekend: de drukkerij van Joh. Enschedé en Zn., waar onze postzegels en bankbiljetten worden vervaardigd, en sinds 1656 de Opr. Haarl. Cour. wordt gedrukt, benevens de Kon.

Fabr. van Spoorrijtuigen der firma J. J. Beynes en Zn., waar jaarlijks 60 spoor- en thans ook veel tramwagens worden vervaardigd. De H. IJ. S. M. heeft hier haar centrale werkplaats met ± 1300 arbeiders; de eenmaal beroemde Opr. Haarl. olie van Claes Tilly wordt thans in een hoogst bescheiden inrichting vervaardigd. Verder: o. a. cacao-, zeep-, jam-, verf-, margarinefabriek, katoenweverij en -ververij en nog steeds heeft uitbreiding plaats op de groote terreinen aan het Noorder-Spaarne, waar ook een nieuwe haven is geprojecteerd, naar welker voltooiing verlangend wordt uitgezien, al zal de nauwe sluis bij Spaarndam wel steeds een ernstige hindernis zijn voor het moderne verkeer.

De hier gebouwde schepen waren reeds van zulk een omvang, dat die sluis niet gepasseerd kon worden en de werf Conrad o. m. daarom een filiaal-inrichting vestigde aan de Vóór-Zaan bij Zaandam. Als marktplaats is H. van eenige beteekenis geworden door de vele spoor- en waterwegen, welke gemakkelijk de waren uit de omgeving konden aanvoeren. Spoorwegen leiden naar Amsterdam (in 1918 met de beperkte dienstregeling nog 68 treinen per dag in beide richtingen), Leiden—Den Haag, Zandvoort en Alkmaar, terwijl nu ook in exploitatie is een lijntje via Hoofddorp naar Aalsmeer, waardoor het landbouwgebied Van den Haarlemmermeerpolder bij het achterland werd gevoegd. Een stoomtram voert naar Alkmaar en naar Leiden. Van de waterwegen worden genoemd : de trekvaart naar Leiden en vooral het Spaarne voor de verbinding met Noord-Zeekanaal—Amsterdam en Zaanstreek ; de trekvaart naar Amsterdam is van weinig beteekenis door den dam bij Halfweg.

Na het laagtepunt 17.400 in 1815 bereikt te hebben, bedroeg het aantal inw. 21.700 in 1830, 30.500 in 1870, 50.000 in 1890, 69.594 in 1910, 31 Dec. 1917 74.812. Van de godsdiensten waren het sterkst vertegenwoordigd de Roomsch-Katholieken (27.628), daarna de Ned. Herv. (24.705).

In het centrum van de oude stad bevindt zich een vierkant plein, de Groote Markt, waarop tal van drukke winkelstraten uitkomen. In het midden werd een standbeeld opgericht voor den Haarlemmer Laurens Jansz. Coster, terwijl aan de kanten tal van oude gebouwen met fraaie gevels zijn bewaard gebleven, het zeer oude Stadhuis, de Waag en de Vleeschhal, en vooral de Groote of St. Bavokerk van de 14e tot de 16e eeuw gebouwd. In deze kerk liggen o. m. begraven L. J. Coster, Frans Hals, Bilderdijk en Conrad. Groote vermaardheid heeft het orgel met 3 klavieren en 5000 pijpen, waarvan de langste 10 M. is en waarbij er zijn van een omvang dat een man er door zou kunnen kruipen en ter dikte van een potlood.

De toren is niet afgemaakt, maar vervaardigd van hout met lood overtrokken. Het klokkespel van 32 klokken is in 1664 vervaardigd door den beroemden Vlaamschen klokkegieter François Hemony. Eiken avond kleppen van 9 tot half 10 de klokken Piet en Hein, in de wandeling „Damiaatjes” geheeten, omdat zij in verband worden gebracht met het verhaal omtrent de inneming van Damiate. Zij dagteekenen echter uit 1732. Ook de z.g.n. „scheepjes van Damiate” zouden aandeel hebben gehad aan den kruistocht van Willem I in 1219 naar Egypte, maar zijn door het schippersgilde eerst in 1668 als scheepsmodellen geschonken.

Buiten de singels ontstonden volkrijke buitenwijken, deels arbeidersbuurten zooals het Schoterkwartier en de Amsterdamsche buurt, deels villaparken vooral aan den Z.-kant in de richting van de Hout. Van de instellingen, stichtingen, musea, enz., waaraan H. rijk is, verdient allereerst vermelding de Teylerstichting, opgericht in 1778 volgens uiterste wilsbeschikking van Pieter Teyler van der Hulst tot bevordering van wetenschap en kunst; Frans Halsmuseum; Bisschoppelijk en Koloniaal Museum, enz. Vermeldingswaardige gebouwen zijn verder : het Proveniershuis ; ’t Paviljoen, de oude verblijfplaats van Lod. Napoleon, thans Alg. Secretariaat van de Mij. v. Nijverheid; 't Brongebouw en Drinkhal, stichtingen van een Mij., die het staalwater van de Wilhelminabron in den Haarlemmermeerpolder dacht te exploiteeren en van de vele kerken, vooral de Kathedraal of nieuwe St. Bavo, een grootsch bouwwerk,in een gemengden stijl, waarbij de Kathedraal van Doornik als grondtype is gedacht.