Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 24-01-2019

Gracht

betekenis & definitie

Gracht - Alle grachten of slooten tusschen twee erven worden verondersteld gemeen te zijn, indien er geen teeken of titel van het tegendeel aanwezig is (art. 706 B.W.). O. a. wordt als een dergelijk teeken beschouwd, dat de kade of opgeworpen aarde alleen aan eene zijde gevonden wordt, in welk geval de gracht of sloot gerekend wordt voor het geheel te behooren aan den eigenaar van die zijde (art. 707 B.W.). — Gemeene gr. of slooten moeten op gezamenlijke kosten worden onderhouden art 708 B.W. . — Ieder der aangrenzende eigenaars mag er in visschen, varen, zijn beesten drenken en daartoe tot zijn gebruik water scheppen (art. 709 B.W.).— Gr. aan verscheiden geburen gemeen en welke hun tot uitweg dienen, kunnen niet dan met gemeene toestemming worden verlegd, vernietigd of tot ander gebruik gebezigd dan waartoe ze zijn bestemd geweest (art. 619 B.W.; immers volgens arr. H. R. van 6 Maart 1914, N. J. 625, is eene gemeene buurvaart als b u u r w e g te beschouwen). — Wie bij wijze van erfdienstbaarheid het recht heeft, op het water van een naburig erf te varen, moet bijdragen tot de onkosten, noodzakelijk om het water steeds vaarbaar te houden, ten ware hij mocht verkiezen van zijn recht af te zien (art. 732 B.W.).