Oosthoek encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Gepubliceerd op 24-01-2019

Gideon

betekenis & definitie

Gideon - een van de zgn. groote Richteren van Israël (± 1100 v. Chr.). „G.” is een bijnaam en beteekent „hij die neervelt” (vgl. Judas Maccabaeus: makkabi = „hamer” — en Karel Martel); zijn eigenlijke naam was Jerubbaäl (vlgs. Richt. 6, 32 was Jer. de bijnaam); in 2 Sam. 11, 21 staat Jerub-bèsjet, eigl. -bosjet. zie BAÄL en ESBAÄL. G. was hoofd van het geslacht Abiëzer uit Manasse (vgl.

EFRAIM) en woonde te Ofra bij Sichem. Het bericht over G., Richt. 6-8, is uit verschillende bronnen afkomstig. — De nomadische Midianieten deden, telkens bij ’t begin van den oogst, invallen in ’t land ten W. van den Jordaan en plunderden dit leeg. G. vervolgde hen en nam bloedwraak van hun vorsten (zie ook PNIËL). Van den buit maakte hij een „efod” (een Jahwebeeld?) en stichtte zoo ’t orakel te Ofra. Aldus steeg zijn invloed, mede door de bevrijding van de Israëliet. boeren. G. werd heerscher over het half Kanaäniet. Sichem (zie ABIMELECH, GAÄL) en hield een hofhouding met harem: dus een soort koningschap, althans in zijn stam. — Uit een andere traditie stamt ’t verbaal van een nachtelijken overval op ’t Midianiet. legerkamp aan den voet v. d. Gilboa. G. dreef hen door een krijgslist op de vlucht, terwijl hij de Jordaanveren liet bezetten, om hun den terugtocht af te snijden; hun vorsten Oreb („raaf”) en Zeëb („wolf”) werden gevangen genomen; zie verder SJIBBÓLET („rivier”). — Nog langen tijd leefde de herinnering aan G.’s overwinningen voort, waardoor de Israëliet. boeren voor de roofzuchtige nomaden waren gered; men sprak van den „Midian-dag”, Jes. 9, 3; 10, 26.

< >