Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 24-01-2019

Gezag

betekenis & definitie

Gezag - (autoriteit) wordt onderscheiden in 1) uitwendig en 2) inwendig.

1) heet ook juridisch; het is de overmacht, die iemand of iets heeft volgens de wet, de zede: zoo het gezag der politie, de overheid, de ouders, de gebruiken, enz.
2) heet ook moreel; het is het overwicht, dat iemand of iets heeft volgens den invloed, dien hij (het) oefent op het zedelijke bewustzijn, het geweten. Natuurlijk is hier geen tegenstelling.

Als 1) uitsluitend uitwendig is, is het enkel macht; maar wie aan de wet of zede gehoorzaamt, doet dit gewoonlijk ook, omdat deze door hem òf formeel als rechtmatig gezaghebbend worden beschouwd, òf omdat datgene, wat met gezag optreedt, hem op zich zelf ontzag inboezemt. Dit is de overgang tot 2), waarbij het laatste moment, dat van pieteit, op den voorgrond treedt. Er is dus gezag op elk terrein; historisch (de geschiedenis weegt op hare kinderen); logisch (wij zwichten voor de evidentie der redeneering); esthetisch (het schoone overweldigt ons); ethisch (wat goed is, dwingt ons geweten erkenning af).

Boven alles staat 3) het religieuze gezag, dat een bijzonder karakter draagt, omdat het onmiddellijk van Gods wege den mensch, zonder meer, tot gehoorzaamheid dwingt. Geloof = gehoorzaamheid. (Rom. 1 : 5). Het gezag is een onmisbare levens- en cultuur-factor. Als de enkele zich stelt tegenover al het gewordene, gegevene, en volstrekt autonoom wil zijn, breekt hij het levensverband en zijn eigene ontwikkeling af. Het gezag dekt het door de eeuwen verworden bezit, zoowel ten goede als ten kwade. Toch moet de enkele zich tot vrijheid ontwikkelen en het gezagsmaterieel leeren ziften. Dit is de strijd tusschen gezag en vrijheid. Intusschen bestaat de ware vrijheid niet in de verwerping van het gezag, maar in de vrijwillige aanvaarding van het gezag, omdat het recht van het gezag en de waarde van den inhoud zijner eischen wordt erkend en ervaren.

Het einde van het gezag is dus niet opheffing door, maar de congenialiteit van hem, wien het aangaat. — Het gezag heeft dus eene onmisbare paedagogische beteekenis op huiselijk-maatschappelijk, wetenschappelijk-artistiek, ethisch-religieus terrein. Zonder gezag is anarchie, d. i. ontbinding, het einde. Bepaaldelijk op religieus terrein ligt de wortel van alle gezag, in zooverre God wordt erkend als degene, die zeggenschap heeft over alles en allen en zijne normen in de wereld heeft gelegd. — Het ware gezag moet in het geweten zijn steun vinden, maar het behoeft niet in elk geval zich te kunnen motiveeren. Vgl. mijn houding tegenover een kunstwerk, waarvan ik de schoonheid niet in bijzonderheden besef, maar in het algemeen onderga en gevoel. Evenzoo tegenover een zedelijk-hoogstaand mensch.

Vooral tegenover God, die voor mij en over mij beslist door mij te doen beseffen: God wil het. — In het R. Kath. staat het uitwendige gezag: het kerkgeloof; in het Prot. het inwendige gezag: het persoonlijke geloof op den voorgrond. Godsdienst zonder gezag is niet denkbaar. Gezag zonder godsdienst in zekeren zin wèl, omdat de diepste sanctie van het gezag ontbreekt; in zekeren zin ook niet, omdat niemand zonder gezag kan leven. Vgl. het gezag van het geweten, den staat, de volksovertuiging, enz. J. Martineau, The seat of authority in Religion 1891, L. Ihmels, Die Bedeutung des Autoritätsglaubens 1902, A. F. de Savornin Lohman, Gezag en vrijheid 1875, F. W. Foerster, Autorität und Freiheit 1910.