Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 24-01-2019

Geweer

betekenis & definitie

Geweer - (Krijgsk.), aanvankelijk een verzamelwoord voor draagbare wapenen, in hoofdzaak betrekking hebbende op zijdgeweer en schietgeweer. Dat met g. ook een zwaard of een degen bedoeld werd, blijkt uit het 17de-eeuwsch commando. „Ende het gheweer treckt”, waarop de piekenier zijn sabel moest trekken. Thans wordt onder g. zonder nadere omschrijving een schietgeweer verstaan. — De eerste g., beginnende in de 14e eeuw, werden bussen genoemd, hand-, lood-, knip-, haakbussen, enz. De haakb. (15de en 16de eeuw) waren reeds zeer bruikbare vuurwapenen; den naam ontleenden zij aan een haak, die aan de onderzijde was aangebracht en diende om, als de bus bijv. op een vestingmuur werd gelegd, den terugstoot op te vangen.

Een groote verbetering der haakb. bestond in het lontslot. (Zie SLOT). In de 16e eeuw begon men onderscheid te maken tusschen musketiers of zware infanterie en (haakbus)schutters of lichte infanterie. (Zie figuur). Kogel der musketten woog 58 G., kaliber 23 m.M., gewicht vuurwapen 8½ tot bijna 9½ K.G. Na invoering van het vuursteenslot (zie SLOT) werden de g. lichter en verviel de vork.

Einde 17de eeuw kwam de bajonnet algemeen in gebruik. Reeds in de 16e eeuw en onder Gustaaf Adolf begon men de buskruitlading in papieren hulzen mede te voeren, zoodat het kruit niet meer uit de kruitmaatjes in den loop behoeft te worden gestort. Het vuursteeng. onderging in den loop der tijden tal van verbeteringen, voornamelijk uit Frankrijk afkomstig; einde 18e eeuw lag het kaliber tusschen 17 en 19 m.M. Eerstvolgende ingrijpende verandering kwam in de eerste helft der 19e eeuw door invoering van percussiesloten (zie SLOT). Hoewel men reeds in de 15e eeuw g. met trekken had vervaardigd, teneinde deze het buskruitslijm te doen opnemen, Wapenen van den musketier en de schutters ten tijde van Prins Maurits.

A. musket; B. Vorketstok of furquet ter ondersteuning van het musket in den aanslag; C. Bandelier met kruitmaatjes, elk een lading bevattende; D. Kruithoorn; G. Kruitfleschje; E. met fijn buskruit om op de pan van het slot te strooien; G. lederen kogelzakje; H. tinnen oliefleschje; I. koperen lontverberger met gaatjes; L. een vetlap, een naald om het zundgat door te steken en eenige stukken lont ter lengte van 6 tot 7 span; F. bus; K. degen.

zoo kwamen de getrokken g. eerst in het midden der 19e eeuw algemeen in gebruik, voornamelijk door de vinding van den Franschen kapitein Miné en anderen om den kogel tengevolge van den gasdruk te doen uitzetten en in de trekken te dringen om het beloop hiervan te volgen. Van de getr. g. daalde het kaliber spoedig tot ongeveer 11 m.M., daar de kogel langwerpig kon worden (zie TREKKEN). In de oorlogen van 1864 en 1866 tegen Denemarken en Oostenrijk gebruikte Pruisen voor het eerst een zeer goed achterlaadg., het naald (Zündnadel)-g. uitgevonden door Dreyse, dat vooral in den Amerikaanschen burgeroorlog tot zijn recht kwam tengevolge van de uitvinding der metalen patroonhulzen, die een volledige gasafsluiting waarborgden, zoodat geen hinderlijke aanzetting van buskruitslijm in het slot meer voorkwam. Het eerste Nederl. achterl. g. was het Snidergeweer, verkregen door vervorming van een getrokken voorl. g., dat weer uiteen glad g. was vervaardigd; kaliber 17,5 m.M.,gew. looden kogel 39,5 G. — Het daarna ingevoerde Beaumont-g. had een kaliber van 11 m.M. en een hard looden kogel van 25 G. De uitvinding der repeteergeweren — dat zijn die, waaruit, zonder voor elk schot te moeten laden, een reeks schoten kan worden gedaan — bracht een geheelen omkeer in de bewapening der legers teweeg; echter niet dan nadat een krachtige buskruitsoort was gevonden, die het mogelijk maakte het gewicht van den geweerkogel te verminderen, zonder dat het ballistische vermogen van het g. afnam. Doordat de patroon lichter werd, kon de man er meer dan voorheen aan den lijve mededragen, hetgeen bij het groote munitieverbruik der repeteerwapenen noodig is. De gevonden krachtige buskruitsoorten waren bovendien rookzwak, hetgeen van het grootste tactische belang was.

Het tegenwoordige Nederl. g. is een repeteerg., type Mannlicher, kaliber 6 m.M., kogelgewicht 10,15 Gr. (Zie BAJONET en PATROON; Fig. 11 en 11a en verder voor de voornaamste stelsels van repeteerg.; Bekn. Handl. t. d. Kennis d. Artillerie, 2de deel, Draagbare Wapenen, enz. door de Kapiteins Feber en Van Everdingen, en Plaat als voren. In de laatste jaren is het vraagstuk van de automatische of zelflaadg. aan de orde. Zie ook bij VUURWAPEN). Vóór den grooten oorlog werden in verschillende landen proeven daarmede genomen; alleen in Mexico was toen een zelflaadg. stelsel-Mondragon ingevoerd: kaliber 7 m.M., magazijn voor 10 patronen; is ook als gewoon repeteerg. te gebruiken.