Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 24-01-2019

Geld

betekenis & definitie

Geld - algemeen gangbaar betaalmiddel. Chèques en wissels vallen er dus buiten, als zijnde niet algemeen gangbaar. Het geld heeft den vroegeren ruilhandel voor koophandel doen plaats maken. De vroegere partijen bij het ruilverkeer zetten thans ieder hare waren eerst in geld om en daarna dit weder in het door haar gewenschte.

Het bezwaar van den ruilhandel, dat beide partijen gelijkwaardige voorwerpen moeten aanbieden, is hiermede vervallen. — Men onderscheidt het geld in metaalgeld (d.i. hartgeld) en fiduciaire betaalmiddelen: papiergeld, bankbiljetten enz. — Voor zoover de fid. betaalmiddelen dezelfde rol als het metaalgeld vervullen, worden zij wel als geldsurrogaten aangeduid. — Het geld ontleent zijne hoedanigheid aan het gebruik of aan de wet. Is men wettelijk verplicht het in betaling aan te nemen, zoo spreekt men van wettig betaalmiddel. — Behalve betaalmiddel is het geld ook waardemeter, terwijl het als vertegenwoordigende economische waarde ook als spaarmiddel dienst doet. — Het geld vertegenwoordigt zoowel goederen en diensten als ook kapitaal. Met de woorden geldhandel en geldmarkt worden zelfs meestal de kapitaalhandel en de kapitaalmarkt bedoeld. — De waarde van alle econ. goederen wordt dus veelal in geld uitgedrukt. Deze in geld uitgedrukte waarde noemt men den prijs dier goederen. De prijs geeft dus aan de verhouding der waarde van het beschouwde voorwerp tot die van de geldeenheid. Daar bij bepaling van den prijs steeds het geld het punt van vergelijking uitmaakt, kan van den prijs van het geld zelf niet worden gesproken. Wel van de waarde van het geld. Deze komt in alle prijzen tot uitdrukking.

Hare vermindering doet alle prijzen stijgen, hare vermeerdering alle prijzen dalen. Daar echter de prijzen der goederen ook kunnen rijzen of dalen door waardevermeerdering of -vermindering dier voorwerpen zelf, zonder dat de waarde van het geld in het algemeen veranderd is, spreekt men veelal slechts van waardeverandering van het geld, indien het prijsniveau verandering heeft ondergaan of anders uitgedrukt: indien de koopkracht van het geld is toe- of afgenomen. De oorzaak kan dan nog liggen zoowel bij de waarde van het geld alsook bij die der goederen. — Waaraan ontleent het geld zijn waarde? Evenals de waarde van iedere andere zaak, wortelt ook die van het geld in zijne nuttigheid. De grootte dier waarde wordt ook bij het geld bepaald door vraag en aanbod. — De vraag naar geld is in de eerste plaats afhankelijk van het aantal en den omvang der transacties, waarbij het dienst moet doen in verband met het bestaande prijsniveau (dit toch bepaalt hoeveel geld bij iedere transactie vereischt wordt). De vraag wordt beperkt door betalingsmethoden, welke het gebruik van geld uitschakelen (bv. overboeking, giro). — Het aanbod van geld hangt in hooge mate van overheidsmaatregelen af, daar deze bepalen, wat als geld zal dienst doen. Bestond er alleen metaalgeld en was daarvan de aanmunting vrij, zoo zou het aanbod vrijwel worden beheerscht door de voor muntdoeleinden beschikbare hoeveelheid geldmetaal. — Zijn ook bankbiljetten in omloop, welke (zooals bij de Nederlandsche Bank) in eene bepaalde verhouding door geldmetaal moeten gedekt zijn, ook dan is de aanwezige hoeveelheid geldmetaal voor het aanbod van geld van de grootste beteekenis. — Bevat de geldcirculatie ook ongedekt papiergeld, zoo is te dien aanzien het geldaanbod slechts beperkt door de bepalingen, welke de emissie daarvan begrenzen. — Hoe nauwer de band tusschen goudvoorraad en geldcirculatie, hoe minder groot de kans op plotselinge vermeerdering of vermindering van het geldaanbod. Door de duurzaamheid van het goud is de aanwezige voorraad daarvan niet aan plotselinge wijzigingen onderhevig. De productie van dit metaal, hoe groot ook, blijft steeds betrekkelijk gering bij den voorraad vergeleken. — Dat de goudvoorraad van een bepaald land wel plotseling reusachtig kan toenemen, heeft de geschiedenis van den wereldoorlog geleerd.

Voor een bepaald land is dus ook bij het nauwste verband tusschen geld en goud, de mogelijkheid van plotselinge wijziging in den omvang der circulatie niet uitgesloten. — In de laatste jaren is meermalen betoogd (in het bijzonder door den Duitschen hoogleeraar Knapp in zijn geschrift: Die Staatliche Theorie des Geldes), dat die goudbasis evengoed kan worden gemist. In het binnenlandsch verkeer ziet men immers meermalen niet door metaal gedekt papiergeld circuleeren, dat door ieder als volwaardig wordt aangenomen. Het in de verschillende landen voorgeschreven verband tusschen goud en geld heeft niet kunnen verhinderen, dat de biljettencirculatie der banken tot een ontzettende hoogte is opgevoerd. — Dat echter in tijden als deze de regeeringen zich hebben losgemaakt van de voorheen geldende dekkingsvoorschriften, bewijst allerminst, dat deze even goed kunnen worden gemist. Veeleer zoude dit moeten leiden tot het betoog, dat voortaan veel meer bindende bepalingen zullen moeten gelden welke de regeeringen moeten beletten de dekking harer uitgaven in het misbruiken van de biljettenpers te zoeken. De goudvoorraad is zeker geen ideale basis voor den omvang der geldcirculatie, daar hij weinig verband houdt met de behoefte aan circulatiemiddelen, maar nu nog geen betere thermometer voor die behoeften is uitgevonden, heeft hij in het algemeen gunstig gewerkt. — In het internationale betalingsverkeer zou het missen van een goudbasis nog andere bezwaren medebrengen. Daardoor toch zouden de wisselkoersen zich in beide richtingen onbeperkt kunnen wijzigen (Vergel. GOUDPUNTEN). De wereldoorlog heeft dit ten overvloede duidelijk bewezen.

Weliswaar zou men trachten, bij onttroning van het goud, zooals men het noemt, een (alsdan geheel willekeurige) pariteit tusschen de geldeenheden der verschillende landen door credieten enz. te handhaven, maar het is de vraag of de ongelijke credietwaardigheid der staten zich daartegen niet wel eens zou verzetten. — Zij, die de goudbasis wenschen afgeschaft, worden veelal nominalisten genoemd in tegenstelling met hunne tegenstanders, de zgn. metallisten. Het niet op metaal gebaseerde papiergeld wordt als chartaalgeld aangeduid. — Een zoo groot mogelijke waardevastheid van het geld is zeker zeer gewenscht. Wijzigingen in de geldswaarde beteekent immers geheel onverdiende voordeelen voor den een en even onverdiende nadeelen voor den ander. De handelaar met groote goederenvoorraden heeft in deze geheel andere belangen dan hij die van een vast geldinkomen moet leven. Stijging van het prijsniveau maakt ook veelal met moeite verkregen loonsverhoogingen illusoor. — Met deze meest gewenschte waardevastheid bedoelt men veelal, dat wijzigingen in het prijsniveau niet intreden door invloeden van de zijde van het geld. — Volkomen waardevastheid heeft het geld in de geschiedenis niet gehad. Hoewel de wijzigingen te dien opzichte natuurlijk moeilijk nauwkeurig zijn te registreeren, kan de algemeene loop der prijzen toch wel met voldoende zekerheid worden vastgesteld. — Om de wijzigingen in de koopkracht van het geld te constateeren, heeft men verschillende methoden toegepast. De eerste is die der indexnumbers. De tweede neemt als waardemaatstaf voor het geld de arbeidsloonen en wel de belooning voor den het laagst staanden arbeid (door dit te doen geeft men als zijn overtuiging te kennen, dat deze soort arbeid in alle tijden slechts wordt, althans tot dusverre is, beloond met de minimum-levensbehoeften: zie IJzeren loonwet van Lassalle).

Een derde methode bestaat hierin, dat men het budget van iemand met een zeker geldelijk inkomen in een zeker jaar berekent en daarna becijfert, hoeveel inkomen men noodig zou hebben om in het jaar van vergelijking een zelfde wijze van leven te leiden. Alle drie methodes zijn gebrekkig. Toch kunnen zij, vooral tezamen, wel een totaalindruk geven van den loop der prijzen. — De verschillende onderzoekingen van dien aard leeren ons o. m., dat in het oude Griekenland het geld vier à vijfmaal zooveel waard schijnt te zijn geweest als in het begin der 20e eeuw; verder dat in de 16e eeuw vooral tusschen de jaren 1520 en 1620 de prijzen ongeveer schijnen te zijn verdrievoudigd. Wat de tweede helft der 19e eeuw betreft, toonen de indexnumbers van de Economist, die de jaren 1845-1850 als basis nemen, tot 1 Juli 1857 een prijsstijging van 100 op 136; daarna dalen de prijzen tot 86 in 1898, daarop volgt weder eene stijging tot 97.5 in 1900; in 1902 zijn de prijzen weder gevallen op 88.5 om in 1907 weder te culmineeren op 113.6. In 1909 is het niveau weder vrijwel gelijk aan dat van de jaren van vergelijking. Het wordt nl. aangegeven door het cijfer 99.9. Door den wereldoorlog zijn de prijzen op ongekende wijze omhooggevoerd. — Omtrent de oorzaken der prijswijzigingen in de verschillende tijdperken is dikwijls gestreden. Terwijl de een haar aan de zijde der goederen zocht of ook bij het optreden van woekeraars en speculanten, meenden anderen haar uitsluitend aan den kant van het geld te moeten zoeken. Tot de laatsten behooren de aanhangers van de zg. quantiteitstheorie, die de vermeerdering van den geldsomloop en in het bijzonder de groote uitbreiding der edelmetaalproductie voor de verschillende algemeene prijsstijgingen aansprakelijk stellen.

Werkelijk wordt door hen aangetoond, dat de verhoogingen van het prijsniveau telkens merkwaardig samentroffen met de ontsluiting van nieuwe mijngebieden. Nog verder gaan de aanhangers van de zgn. productiekostentheorie, die de waarde van het geld uitsluitend doen afhangen van de kosten van de voortbrenging van het geldmetaal. Stijging daarboven zou immers die productie zeer doen toenemen, daling eronder zal haar doen eindigen. Te veel wordt daarbij over het hoofd gezien, dat goud en zilver geen verbruiksartikelen zijn, maar een zeer langen levensduur hebben, waardoor de voorraad slechts na geruimen tijd belangrijk door den omvang der voortbrenging wordt beïnvloed. — Niet te ontkennen is, dat zoolang en voor zooverre de geldsomloop op een metaalbasis berust, het aanbod van het geldmetaal de ruimte der circulatie en daardoor de waarde van het geld zal beïnvloeden. Minder juist is het om te zeggen, dat de waarde van het geld door die van het geldmetaal wordt bepaald, daar veeleer de waarde van het laatste voor een groot deel van zijne geldfunctie afhankelijk is. Vermeldenswaard is het denkbeeld van den Amerikaan Irving Fisher om door wijzigingen in den prijs van het goud, waarvoor de circulatiebanken dit koopen of verkoopen, de veranderingen in de koopkracht van het geld, naar gelang deze door de indexnumbers aan het licht treden, op te heffen.

Niet alleen in de verschillende tijdperken, maar ook plaatselijk is de koopkracht van het geld soms zeer verschillend. Zoo onderscheidt men dure en goedkoope landen. Deze duurte kan voortvloeien uit plaatselijk sterke uitbreiding der circulatiemiddelen. Door wegvloeiing van het teveel aan betaalmiddelen zal dan echter het evenwicht zich trachten te herstellen. Dit is natuurlijk slechts mogelijk indien het buitenland het overvloedige betaalmiddel wil aanvaarden, hetgeen ten opzichte van binnenlandsch papiergeld niet het geval zal zijn. De binnenlandsche valuta zal dan tegenover de buitenlandsche worden gedeprecieerd. — Ook zal het prijsverschil blijven bestaan, wanneer de oorzaak blijvend is.

Zoo zullen in goud produceerende landen de prijzen steeds hoog zijn en niettegenstaande geregelde afvloeiing van goud naar elders steeds hoog blijven. — Ook kunnen protectionistische maatregelen aan volledige nivelleeering der prijzen in den weg staan. — Er bestaan echter ook plaatselijke prijsverschillen, welke naar hunnen aard blijvend zijn. Tengevolge van de transportkosten toch is de prijs der voorwerpen veelal op de plaats der voortbrenging lager dan elders. Hoe zwaarder en omvangrijker een voorwerp, hoe grooter het verschil zal zijn. Daar industrieartikelen in den regel naar verhouding der waarde minder omvangrijk en zwaar zijn dan voortbrengselen van den landbouw, zal de prijs der eerste minder door transportkosten worden verhoogd dan die der laatste. Hierdoor en ook door het feit, dat loonen en woninghuren in nijverheidscentra veelal hooger zijn dan elders, zullen de kosten van levensonderhoud in industrielanden in den regel hooger zijn dan in landbouwende streken. — Tenslotte zij nog vermeld, dat met de uitdrukkingen duur of goedkoop geld in den regel niet op de koopkracht van het geld wordt gedoeld, maar wordt gedacht aan de voorwaarden, waarop crediet is te krijgen. Is de rentestand hoog, dan noemt men het geld duur, is hij laag, het geld is goedkoop.