Frank betekenis & definitie

Frank - 1) Fr. H. R. von, vertegenwoordiger van de Erlanger school; overl. 1894. Zijn dogmatisch-wijsgeerig stelsel gaat uit van de wedergeboorte, als den centralen inhoud van het geestelijke leven van den Christen, de religieuze ervaring of het Christelijk zelfbewustzijn. Hij tracht de waarheid en noodzakelijkheid der z.g. verlossingsfeiten aan te toonen, als beantwoordende aan de wèlverstane verlossingsbehoefte van den mensch.

Hij ontwikkelt dus eerst de z.g. „christliche Gewissheit”, als de gesteldheid van het subject des geloofs, en daarna de z.g. „christliche Wahrheit” als den inhoud, het object van het geloof. Zijn doel is aan te wijzen, langs zielkundigen weg, hoe de Christen er toe komt aan God, Christus, de H. Schrift zijn volstrekt vertrouwen te schenken. De inhoud van zijn leer is orthodox; de vorm of methode modern. Hoofdwerken: System der Chr. Gewissheit, System der Chr.

Wahrheit, System der Chr. Sittlichkeit. Vgl. N. A. Bruining, De theologie van Fr. H. R. von Frank (de Erlanger theologie) 1916 (theol. diss).

2) Marie Caroline, Nederl. schrijfster pseudoniemen Kâtja Mata en Jacob Stilleven), geb. 1838 te ’s-Gravenhage, was 1855-73 als onderwijzeres werkzaam in Nederl.-Indië, en vestigde zich in 1886 te Breda. Zij gaf o. a. in het licht: Een natuurlijk kind en andere Indische verhalen (1875), Oost-Ind. Menschen (1875), Oude liefde roest niet (1876), Souvenirs van Jacob Stilleven (1878), Bijna verloren (1880), Zwervelingen (1882), Onafhankelijk (1884). In haar Indische romans „beschrijft zij de Europeesch-Indische maatschappij op Java met groote vrijmoedigheid.” (ten Brink).