Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 13-12-2018

2018-12-13

Drente

betekenis & definitie

Drente - prov. van Nederland; opp. 2662 K.M.2; 31 Mrt. 1916 192.805 inw. ; 72 per K.M.2 Grenzen. Omgeven door venen, die, vóór ze ontwaterd werden, zelfs ’s zomers moeilijk door te trekken waren, was D. vroeger een eiland. Enkele toegangen waren er slechts bij Coevorden, aan den weg van Bentheim en Salland over den Hondsrug naar de Friesche Zeelanden; Steenwijk, het uitgangspunt van een weg over den Bisschopsberg en Groningen, als Drentsch dorp ontstaan op het uiteinde van den Hondsrug; een minder beteekenende toegangsweg liep over een zandweggetje bij Ommen; veel jonger is de Pas van Rouveen, waarover Maurits in 1594 trok. In het Westelijke veen bestond een overgang bij Bakkeveen, waar de 3 Noordelijke provincies aan elkaar grenzen.

Evenals op den Zuidelijken overgang de Ommerschans lag, lag bij Bakkeveen de Zwartendijker Schans. — Behoefte aan grenslijnen kreeg men eerst, toen het veen werd geëxploiteerd. Ze werden eerst vastgelegd na 1600; vóór dien tijd waren de venen zoo goed als onbewoond; enkel eenige kloosters vonden hier meest voldoende rust. In 1615 werd op last van Willem Dodewijk de bekende Jan Sems-linie getrokken door den landmeter van dien naam, en wel van de Wolfsbergen tot bij ter Apel, waar de rechte richting veranderde door de kloostergoederen, die reeds aan de stad behoorden. Een rechte lijn vormt tevens de grens van Ter Apel naar het Schoonebeker Diep. Ook de andere grenslijnen bestaan voor een groot deel uit zulke rechte lijnen, die soms van het ééne naar het andere zandruggetje (tang) getrokken werden.

Geologie. De oppervlakte bestaat uit de grond-moreene van den hoofdijstijd (Riss-ijstijd). Op vele plaatsen is dit keileem, bedekt met fijn en grof zand, door het smeltwater van het terugtrekkende landijs aangebracht (de z.g. sandr). Bepaalde stuwmoreenen zijn de Havelter Berg en een deel van den Hondsrug. Soms ligt de grondmoreene direct op potklei en andere zeer fijne, humeuze zanden. Soms liggen grovere zanden tusschen de grondmoreene en de fijnere zanden. Deze zanden zijn dan gemengd, d.w.z. van Noordelijken en van Zuidelijken oorsprong. Onder de middelste fijne afdeeling liggen weer zanden, die, hoewel ze hoofdzakelijk uit Zuidelijk materiaal bestaan, toch ook veel Noordsch bevatten.

Het is dus aan de oppervlakte Scandinavisch diluvium, volgens Jonker aangebracht door een ouderen West-Baltischen en een jongeren, Oost-Baltischen ijsstroom. Het zwerfsteengezelschap van deelen van den Hondsrug is Oost-Baltisch, alleen het krijt daar is West-Baltisch. De dikte van het diluvium bedraagt volgens de Rijksopsporing van delfstoffen bij Noord-Barge 94 M„ bij Coevorden 100 M. Zeer waarschijnlijk volgt het Hunze-dal een slenk, waar vermoedelijk de grootere dikte van het diluvium van Noordlaren en Beerta (resp. 180 en 170 M.) reeds op wijst. Het zuivere Scandinavische diluvium is op enkele plaatsen zeer dun, soms niet meer dan 1 M., zooals bij het station Vries-Zuidlaren. — Tot de alluviale vormingen in Drente zijn te rekenen: a) beekbezinking in de omgeving van Coevorden; b) de overgangsvenen langs de meeste stroompjes; dit veen is ontstaan in de diluviale smeltwaterdalen, waarin de tegenwoordige stroompjes een alluviaal bed hebben gevormd; c) de hoogvenen, waarvan enkele als laagvenen begonnen zijn; de meeste liggen aan de randen der prov.; merkwaardig is verder de ligging van het Schoonoordsche veen in de laagte tusschen de hoogtelijnen van 20 M. op den Hondsrug en van het Ellertsveld, waarschijnlijk gevormd in den tijd, toen het Voorste Diep van de Hunze zijn doorbrekingsdal door den Hondsrug nog niet voltooid had; verder d) de zandstuivingen, zoowel in het W. (Diever, Ruinen), als bij den Hondsrug, waar de verlaging van den grondwaterspiegel het zijne wel zal toe bijgedragen hebben (Brouwen, Emmen), terwijl bij Zeegse waarschijnlijk fossiele duinen, gevormd in een droge periode (tijd van den Grenshorizon van Weber) voorkomen. Ook de vele kommen, tegenwoordig deels met veen gevuld, zijn waarschijnlijk door den wind uitgeblazen. — In verband met den geologischen opbouw staat de ligging van de gronden om de oude Drentsche dorpen. De groengronden (wei- en hooilanden) liggen meest in het diluviale dal van de stroompjes; de nederzetting zelf een eind van het stroompje af. De esschen (bouwlanden) liggen meestal op de relatief hoogere deelen der omgeving, tengevolge van grondwaterstand. De oude bewoners hebben namelijk die terreinen als bouwland uitgekozen, welke bij den toenmaals hoogeren grondwaterstand het geheele jaar „droog” bleven.

Ook zal op die plaatsen de vruchtbare keileem vaak het dichtst aan de oppervlakte gelegen hebben. Merkwaardig is, dat bij een vergelijking van de esschen omstreeks 1640 en 1840, dus vóór de invoering van de kunstmest, deze streken bijna niet zijn vergroot, wat alleen, bij de toename der bevolking, verklaarbaar is uit meer intensieve bebouwing. Dit laatste was alleen mogelijk bij uitbreiding der groengronden, waardoor ook meer mest kon verkregen worden. — Van de gesteenten dienen genoemd te worden graniet en gneiss, vaak in groote blokken, tot 50.000 K.G. zwaar, waaruit o.a. de hunnebedden opgebouwd zijn en die veel tot versterking onzer zeeweringen gediend hebben; vuursteen, dat veel het materiaal voor steenen voorwerpen leverde, terwijl in het veen zich hier en daar ijzeroer (o.a. in het gebied van de Runde), gevormd heeft, evenals op enkele plaatsen in het diluvium zelf, zooals ten Noorden van Westerbork. Te Meppel is een malerij van dit ijzererts; het Zuidelijke zand wordt reeds gebruikt voor glasfabrikage (Havelte). D. leverde de laatste jaren gemiddeld 1200 millioen lange turven (van de 1800 millioen van het geheele land), ook ± 250 millioen korte en bagger-turven.

Turfstrooisel, eerst in de laatste 30 jaren een belangrijk artikel, dat gemaakt wordt van de bovenlaag, den bolster, wordt in fabrieken gemaakt te Hoogeveen, Klazinaveen en aan het Oranjekanaal. De daartoe benoodigde turf wordt meest aangevoerd van buiten de provincie. In 1915 was de oppervl. der veenderijen in Dr. minstens 12.915 H.A., de productie bedroeg minstens 774.188.000 stuks haard-brandturf en 398.093.000 fabrieksturven, totaal minstens 1.172.227.000 turven (kleinere verveners verstrekten geen inlichtingen), van de 1.765.066.000 in geheel Nederland. Bij de beroepstelling op 31 Dec. 1909 bedroeg het aantal personen, dat betrokken was bij de veenderij (en het vergraven) in Drente 6863 mannen en 2209 vrouwen, totaal 9072 personen.

Afwatering. Naar het Zuiden:

I. tot het Waterschap Vollenhove, het voormalige 1e Dijksdistrict van Overijsel, behoort het Vledderdiep en de Wapserveensche Aa;

II. tot het gebied van het Meppelerdiep behooren: de Oude Smilder Vaart, de Wold Aa en de Reest, verder de gebieden, welke afwateren op de Drentsche Hoofdvaart en dus ook dat van het Oranje-kanaal; dan de Hoogeveensche Vaart en het Oostelijk deel van de Verlengde Hoogeveensche Vaart, dat in verbinding staat met het ’t Oranje-kanaal;

III. tot het gebied van het Zwarte Water afzonderlijk behooren de wateren uit de Kom van Coevorden (Loodiep, Drostendiep en Schoonebeker Diep).

Naar het Noorden:

IV. het gebied van de Westerwoldsche Aa, waartoe het Scholtens-kanaal en het Zuidelijk deel van het Stadskanaal (vanaf de 2e Exlooërmond) behooren;

V. het gebied van het Eemskanaal, tot ten W. van het Noord-Willemskanaal (Hunze, Drentsche Aa en van het Stadskanaal ten N. van de 2e Exlooërmond); dit water wordt bij Delfzijl door het Eemskanaal geloosd;

VI. tot den boezem van Westerkwartier behoort het Eelder- en het Peizerdiep, welke door het Aduarderdiep loozen op het Reitdiep (bij Zoutkamp op de Lauwerszee).

In het veenkoloniale gedeelte van D. is de toestand, wat de waterafvoer betreft, zeer bevredigend. Wat het zandgedeelte betreft, laat de waterafvoer door de stroompjes zeer veel te wenschen over, tengevolge waarvan een intensieve exploitatie der uitgestrekte landerijen in de breede stroomdalen, die landbouwkundig tot de meest dankbare gronden behooren, veelal onmogelijk is en tevens de ontginningen in de hoogere streken veel bezwaar ondervinden. Langs het Peizer- en Eelder Diep staat niet alleen des winters, maar ook in het voorjaar en den zomer het land bij veel regen blank. Elders is het weinig beter. De toestand wordt steeds meer onhoudbaar, doordat bij de ontginningen steeds vlugger een groote hoeveelheid water naar de stroompjes wordt afgevoerd. De wilde stuwbevloeïng, zooals die in verschillende stroommalen mogelijk is, wordt meer en meer afgeschaft. Waterschappen worden steeds meer opgericht.

Ontginning der woeste gronden. Thans bedraagt het aantal H.A. woeste grond: hoogveen 20.894; ongeschikte dalgrond 4.489; heide 91.805; zandstuivingen 2.264; totaal 119.452 d. i. 44,45 % der prov. Hoe snel de toename der ontginning in H.A. de laatste 25 jaar was, toont de volgende tabel. Gemiddeld werden per jaar ontgonnen, van:

1892-1896: 242 H.A.; 1897-1901: 495 H.A.; 1902-1906: 767 H.A.; 1907-1911: 1231 H.A.

Van 1897 tot 1907 werden ontgonnen: Tot bouw- en grasland; dalgrond 3142,62, heide 3560,18; tot bosch 467,74; totaal 7170,54 H.A. Thans brengen deze voorheen onbemeste, of slecht bevloeide hooilanden langs de stroompjes, met behulp van kunstmest en terp-aarde, een minstens 3 x grooteren oogst van betere kwaliteit op, wat weer tengevolge heeft niet alleen meer en beter hooi en vee, vooral melkvee en varkens, maar ook meerdere mest en betere bemesting der bouwakkers. Ook zijn langs de Oostermoersche Vaart en o. a. in Peize veel natuurlijke hooilanden gescheurd en tijdelijk of voortdurend voor haver- en aardappelteelt bestemd. Tevens wordt veel akkermaalshout gerooid en deze gronden tot bouw- en weiland gebruikt (thans wegens te hooge loonen opgehouden); hetzelfde geschiedt met de mijnhoutbosschen in de buurt van Hoogeveen. Alles grootendeels ’t gevolg van de stijgende grondprijzen (onontgonnen dalgronden zijn in enkele jaren in waarde gestegen van ƒ 50 tot ± ƒ 400 per H.A.) De ontginning tot bosch (b.v. op enkele zandstuivingsterreinen bij Drouwen, Uffelte en Lhee) beteekent weinig; de bestaande bosschen verdwijnen meer en meer. De dalgronden worden meest bouwland. De ontginning der zandgronden door landbouwers kan meest op uitstekende resultaten wijzen; die der groote ontginningsondernemingen zijn meest ongunstiger. Vóór de invoering van de kunstmeststoffen is het eigenlijke bouwland weinig of niet uitgebreid, wel de groenlanden.

— Landbouw en veeteelt.

I. Het Zandgebied. Uitsluitend als bouwland doen de hooge zandgronden der esschen dienst, terwijl de graslanden meest langs de stroompjes aangetroffen worden. Hier is thans rogge nog het hoofdgewas, maar lang niet meer zooals vroeger. De boekweitteelt is zeer verminderd, terwijl de teelt van aardappelen en haver zeer is toegenomen, vooral door de kunstmest. In 1910 was 71 % van het bouwland bezet met granen en 24 % met aardappelen (ook reeds veel voor export). Het grasland is meer toegenomen dan het bouwland. Was vroeger de heide noodzakelijk voor het leveren van plaggen en voor weide van de schapen, thans is dit niet meer of zeer weinig het geval. Voor ± 50 jaar kwamen de inkomsten van het bedrijf voort meest uit den verkoop van plantaardige producten (rogge en boekweit), thans staat de landbouw bijna geheel in dienst van de veeteelt: de producten van den landbouw worden hoofdzakelijk aan het vee vervoederd en bovendien is nog invoer van groote hoeveelheden krachtvoederartikelen noodzakelijk.

Van de aardappelen wordt een deel verkocht, tevens in steeds meerdere quantiteit het stroo. Overigens worden alleen dierlijke producten verkocht. Dat de bedrijven zoo vooruitgingen, is een gevolg van ’t gebruik der kunstmest en de oprichting van meest coöperatieve zuivelfabrieken. Naast de rundveehouderij staat de varkenshouderij, die van veel beteekenis is. Nergens in Nederland is het aantal varkens per 1000 inwoners zoo groot als in Drente. Vandaar de exportslagerijen te Assen (2), Gieten, Hoogeveen, Coevorden, Emmen en Meppel (gedeeltelijk coöperatief).

Per 1000 inwoners telt D.: 556 runderen, 399 schapen en 542 varkens. Het aantal schapen, de z. g. langstaarten, is aanzienlijk afgenomen; vele dorpen hebben hun scheper afgeschaft. Het aantal polderschapen neemt toe. De bijenhouderij is belangrijker geworden, evenals de hoenderteelt (door het werken der V. P. N.). De paardenfokkerij levert veelal werkpaarden. Hoewel meest Oldenburgsche hengsten daartoe ingevoerd werden, begint men thans ook met Belgische. Het meest is kleinbedrijf.

II. Het Veen- en Zandgebied: de gemeenten, bestaande uit een veenkoloniaal- en een zandgedeelte. Op de nieuwe veenkoloniale gronden wordt, in verband met den bodem, meer aan veehouderij gedaan dan op de oudere. Het voornaamste gewas is aardappelen, vooral fabrieksaardappelen. Zelfs wordt het bedrijf op het zandgedeelte steeds meer veenkoloniaal, doordat de groengronden langs de Hunze voor een groot deel gescheurd zijn voor de teelt van fabrieksaardappelen en haver, zelfs voor suikerbieten.

III. In de Noordelijke Zandgemeenten is de oppervlakte grasland in % grooter, dat der woeste gronden kleiner dan in het eigenlijke zandgebied. Onder invloed van Groningen ontwikkelt zich de tuinbouw in Eelde.

IV. In de Zuidelijke randgemeenten overwegen de grasgronden: laag- en moerasveen, lage zandgronden en dalgronden met hoogen waterstand. Door de Heide Mij. wordt o.a. in het Z O. veel tot verbetering van het laatste gedaan. De veehouderij (rundvee en varkens) treedt op den voorgrond. In de gemeente Schoonebeek (evenals in enkele monden) wordt onvergraven hoogveen als bouwland gebruikt.

In I is 54 %; in II 60 %; in III 69 % en in IV 51 % van den grond in eigen exploitatie.

Industrie, in verband met den landbouw, is die van stroocarton en van aardappelmeel. D. heeft 1 (coöperatieve) stroocartonfabriek te Coevorden, terwijl er 7 aardappelmeelfabrieken werken, waarvan 6 coöperatief. De percentsgewijze verhouding van bouwtot grasland wijzigt zich in D. ten gunste van het bouwland: in 1870 was de verhouding als 21,5 tot 78,5, in 1915 als 44,2 tot 55,8. In 1915 waren 22.259 H.A. beteeld met rogge, 87.22 H.A. met haver, 619 H.A. met zandboekweit (in ’t geheel geen veenboekweit meer), 21.791 H.A. met aardappelen. In het stroomgebied der Oostermoersche vaart (gemeenten Anloo, Gieten, Gasselte en Borger) is het slechte grasland van het overgangsveen sedert bijna 20 jaren gescheurd; waar zand te krijgen was is het bezand, en het veen met zand vermengd. Overigens wordt het laagveen en het overgangsveen meest gebruikt voor wei- en hooiland. Wat de hoogveenkultuur betreft, dient vooreerst opgemerkt te worden, dat de veenbrandkultuur in D. tot het verleden behoort. Het Prov.-Reglement op de verveningen verbiedt het.

Men deed het vroeger voor de teelt van veenboekweit. — Wat in Duitschland de „moderne veenkultuur” genoemd wordt, waarbij de oppervlaktelaag van het jongere veenmosveen tot een bouwlaag wordt vervormd, heeft in D. weinig navolging gevonden. Juist doordat wij in ons land een groot afzetgebied voor turf hebben, is het veen als zoodanig afgegraven, terwijl de onderliggende, diluviale bodem in kultuur gebracht werd. Dit is de z. g. Groningermethode der dalgrondkultuur. Door het Prov. Regl. is voorgeschreven, dat de bovenste ¼ M. niet gebruikt mag worden voor turf of turfstrooiselbereiding. De kultuurwaarde van den dalgrond hangt voor een groot gedeelte af van de dikte der gebonkte laag, daar deze laag een natuurlijk waterresservoir voor de plantenwortels vormt. Ook de kwaliteit der bonkaarde is van beteekenis: het oudere veenmosveen is daartoe ongeschikt. Vóór met het toemaken van den dalgrond begonnen wordt, wordt eerst een voldoend aantal slooten voor ontwatering gegraven; daarna de bonkaarde regelmatig over het terrein, dat eerst meer vlak gemaakt is, uitgespreid, zoodat de perceelen door dit „binnenslichten” eenige helling krijgen.

Daarna volgt de bezanding met een zandlaag van ± 10 c.M. dikte. Na het bezanden volgt het woelen, waardoor de zanddeklaag vermengd wordt met een ± 5 c.M. dik laagje bonkaarde, hetgeen geschiedt met ploeg, eg of cultivator. Tengevolge van de bezanding is de bodem minder hol, droogt minder sterk uit, terwijl de schommelingen in dag- en nachttemperatuur minder groot zijn en tevens de ontwikkeling der bacteriënflora zeer wordt bevorderd. Met behulp van een kalibemesting wordt de bonkaarde ontzuurd en het humificatie-proces tot milde humus bevorderd. Evenwel mag de bekalking niet te sterk zijn: waarschijnlijk heeft deze ten gevolge het roesterig worden der aardappels en de veenkoloniale haverziekte. — De normale bemesting voor aardappels is per H.A. 1000 K.G. slakkenmeel, 12 tot 1400 K.G. patentkali en 800—1000 K.G. Chili-salpeter, waarbij men dan hoopt op een oogst van 5 a 600 H.L. aardappels (a 61½ K.G.) per H.A. Gemiddeld zal het veenkoloniale bedrijf ± ƒ100 per jaar en per H.A. aan bemesting kosten. In den laatsten tijd begint de stadscompost weer meer in eere te komen Door dit alles is het veenkoloniale bedrijf een der meest intensieve van ons land geworden.

De coöperatie, in den vorm van aankoopvereenigingen en fabrieken, heeft zich er zeer ontwikkeld. Vele jonge landbouwers vestigen zich in tot nu toe onontgonnen of voor bebossching gebruikte gebieden, die thans zeer vooruitgaan, zooals in de venen tusschen Hoogeveen en de Dedemsvaart; aan de bouworde der boerderijen in die streek herkent men de Groningsche afkomst der boeren. De tuinbouw is van geringe beteekenis. Merkwaardig is de teelt van veenbessen te Smilde voor Cranberry-jam (uitvoer naar Engeland); rozenkweekerij te Hoogeveen en boomkweekerijen te Emmen. Te Assen en Smilde wordt aan groententeelt gedaan, eveneens te Eelde.

Handel en nijverheid. Door afgraving van de hoogvenen werd D. uit zijn isolement verlost. Meppel werd in het Z.W. de toegangsplaats, waar zich een levendige handel ontwikkelde. Evenwel is de handel in Meppeler-kluiten zeer afgenomen, tengevolge van het stichten der vele, bijna alle coöperatieve, boterfabrieken. Daartegenover is de botermijn er zeer druk.

Exportslachterijen zijn in Assen, Hoogeveen, Gieten, Coevorden, Emmen en Meppel. De voornaamste marktplaatsen zijn Meppel, Assen, Coevorden, Hoogeveen en Beilen. Voor het Noorden van Drente is Groningen nog altijd de stad. Meppel is de grootste fabrieksplaats. In ’t O. van Dr. zijn aardappelmeel- en cartonfabrieken.

Veestapel. De veetelling in 1910 heeft aangetoond, dat in Drente zijn: 15.472 paarden, 96.198 runderen, 68.992 schapen, 21.878 geiten, 93.719 varkens. Oorspronkelijk had Drente een goed paard; reeds zeer vroeg was de Drentsche ruiterij bekend. Het Drentsche paard kwam veel met het Friesche ras overeen, was evenals dit ras zwart van kleur, had verheven gangen, tuigde mooi en bezat vrij veel temperament, doch was korter van romp. Dit paard was zeer geschikt voor den landbouw op lichten bodem en was uitstekend als licht tuigpaard te gebruiken. De Drentsche boer was trotsch op zijn paard, dat hij een sieraad voor den wagen noemde. Vele hadden echter slechte eigenschappen, waren minder goed van bouw en misten het noodige uithoudingsvermogen. Vandaar dat sedert een veertig jaren veel buitenlandsche hengsten zijn inge-voerd, vooral uit Oldenburg en Oost-Friesland.

Daardoor is het oorspronkelijke Drentsche paard geheel verloren gegaan; sedert enkele jaren staat geen Drentsche hengst meer ter dekking. Door den invoer van vreemd bloed is echter het paard veel verbeterd, zoodat men, vooral in het ZuidWestelijk deel der provincie een vrij goed tuigpaard van gemiddelde grootte heeft gekregen De rundveefokkerij bestond vroeger vooral in de teelt van lichte, weinig ontwikkelde runderen, deels verwant aan het blaarkopvee in Groningen en in het gedeelte aan Friesland grenzend aan het zwartbonte Friesche vee. Oorspronkelijk was op de zandstreken mestmakerij de hoofdzaak, terwijl natuurlijk verder melken vleeschproductie hoofdzaak waren. In de laatste jaren is vooral als gevolg van de hooge prijzen der boter, en door de ontginning van heidegronden veel verbetering merkbaar. Door invoer, vooral van vee uit het midden en Zuiden van Friesland, is het Drentsche rund verbeterd. In het ZuidWestelijk deel der provincie, vooral in de omgeving van Meppel, hebben wij veel beter runderen gekregen met meer melkproductie. Te De Wijk is zelfs de rundveefokkerij met zooveel kennis van zaken en zorg gedreven, dat men hier welhaast het beste rundvee van Nederland heeft. Door rekening te houden met vorm en productievermogen, door strenge teeltkeus en familieteelt is men gekomen tot uitstekend zwartbont vee. dat tot het Friesch-Hollandsch ras behoort, Vroeger kwamen in de omgeving van Meppel roodbonte runderen voor; nu ziet men die bijna niet meer.

De schapenteelt is achteruitgaande vooral tengevolge van het voortschrijden der heideontginning. In Drente komt voor liet kleine heideschapen-ras, het Drentsche ras genaamd, dat in kudden onder leiding van een herder met herdershond op de heidevelden zijn voedsel zoekt. Dit ras onderscheidt zich van de andere heideschapen door dat de ram spiraalvormig gewonden groote horens draagt, doordat het klein is en harige wol bezit. Het vleesch heeft een eigenaardigen smaak, aan dat van wild herinnerend, waarom het door sommigen verkozen wordt. In de omgeving van Coevorden is het schaap wat grooter, vormt het eenigszins een overgang tot het groote heideschaap, het Veluwsche schaap. Dit schaap noemt men wel het Schoonebeeker schaap. Hebben Drentsche schapen bruine koppen, dan spreekt men wel van vossekoppen; een kruising van een witkop en een vossekop noemt men wel een smoddekop. De geiten in Drente zijn vergeleken met andere streken vrij goed, ofschoon ook de verwaarloozing gedurende lange jaren zijn invloed heeft doen gevoelen.

De laatste jaren is er veel gekruist met het reekleurige, melkrijke, Zwitsersche Toggenburger ras. Ook Saanenbokken zijn wel ingevoerd. Oorspronkelijk kwamen in Drente voor de steiloorige kleine kibben of Drentenaren en het groote grootoorige landras. Het eerste is al voor een zestig jaren verdwenen. Het landvarken wordt nog wel op enkele boerderijen zuiver gefokt. Er is echter al een kleine veertig jaren gekruist met het Engelsche Yorkshire varken, vroeger met het middelgroote, later met het groote, met het doel de vroegrijpheid en de geschiktheid voor vleeschproductie te vergrooten. In de laatste jaren wordt algemeen ingevoerd het veredelde Duitsche landvarken, een nieuw ras in Duitschland gefokt tusschen landvarken en Groot Yorkshire ras.

De nederzettingen in D. zijn tot 2 groepen te brengen: die op het Drentsche plateau, de oudere kom- of brinkdorpen, en de nieuwere aan de Zanden, de veenkoloniën of streekdorpen, waartoe dan op het plateau nog Schoonoord moet gerekend worden. De oudere dorpen liggen alle een eind van het stroompje, meest aan den rand van het diluviaal dal, waar de groengronden in gelegen zijn. De huizen liggen verstrooid om den brink, die vaak met boomen beplant is. De esschen liggen meest daaromheen en zijn van de heidevelden of onderling gescheiden door kreupelhout, akkermaalshout geheeten. — Het gebied, dat vroeger aan een nederzetting behoorde, heette mark en was oorspronkelijk gemeenschappelijk bezit. Het eerst werden de bouwlanden verdeeld, welke stukken spoedig grondeigendom werden, evenwel zoo, dat de gedeelten, die aan een eigenaar behooren, zeer verspreid liggen over de verschillende esschen. Later werden ook de groengronden verdeeld, zoodat tegenwoordig weinig gemeenschappelijke weiden meer voorkomen; thans zijn ook de meeste heidevelden in particulieren eigendom, terwijl de brink op sommige plaatsen nog gemeenschappelijk eigendom is. De nieuwere veenkoloniën sluiten vaak aan elkander aan, wat met de oude brinkdorpen zoogoed als nooit het geval is, gescheiden als ze liggen door de heidevelden. Men kan onderscheiden: veenkoloniën met één kanaal, waaruit de wijken gaan; ten behoeve van den weg langs de vaart zijn verschillende dier wijken vaak afgedamd; soms loopt de weg niet langs de vaart, maar aan het eind der wijken, evenwijdig met het hoofdkanaal; dan spreekt men van „dreef”.

Om minder bruggen te moeten bouwen, groef men uit het kanaal ook wel de zijwijken uit een achterdiep, dat slechts hier en daar met de vaart in verband staat. Het beste systeem is dat met twee kanalen, van waar uit dan naar buiten de wijken gegraven worden. Slechts enkele „veenkoloniënv zijn zonder kanaal: ’t zijn enkele oud-Drentsche koloniën als Drouwener- en Buinerveen. In bevolking, taal, zeden en gewoonten is er groot verschil tusschen beide groepen nederzettingen. Op het Drentsche plateau zijn de bewoners van afkomst grootendeels Saksers. Die der veenkoloniën zijn zeer gemengd en uit verschillende deelen van Nederland en N.W.-Duitschland afkomstig. — Enkele statistische gegevens. Bevolking op 31 Dec. 1915. Mannen 99.250; Vrouwen 93.136; Geheel 192.386.

De toename bedroeg in 1914 3967, in 1915 3611 zielen. De volkrijkste gemeente is Emmen (34.002); een ontwerp bestaat om de gemeente Emmen te splitsen in 3 gemeenten (Emmen, N.-Amsterdam en Roswinkel), daarna Assen (14.927), Hoogeveen (13.207) Meppel (11.653), Odoorn (11.231); 73% van de bevolking is Nederd. Hervormd. Naast de bestaande spoor- en tramwegen zijn nog ontworpen tramwegen: I. Hoogeveen—Meppel —Ruinen—Dieverbrug. II. Stadskanaal—N. Buinen — Buinen—Borger—Schoonloo — Schoonoord — Elperbrug — Westerbork — Beilen — Lheebroek — Lhee — Dwingeloo — Dieverbrug — Vledder —Frederiksoord. III. Emmen—N.-Dordrecht—Klazienaveen Zuid—Zwartemeer. IV. in aganle Coevorden—Assen.

Geschiedenis. Drente, nog maar ruim een eeuw meegeteld als provincie van ’t Koninkrijk der Nederlanden, tevoren als minderwaardig, als een achterland, een bijna ongenaakbare, ongebaande, grootendeels onbewoonbare wildernis van moeras, stuifzanden en heide beschouwd, trok geen belangstelling. Zelfs omtrent den oorsprong van zijn naam is men het ook in onze dagen nog niet eens; evenmin weet men iets met zekerheid aangaande zijn oudste bewoners en hun herkomst, dan alleen het weinige, dat uit het onderzoek der door hen nagelaten gedenkteekens, hunnebedden en tumuli, opgemaakt is kunnen worden. (Zie: Drente omstreeks het Romeinsche tijdvak. Nasporingen rakende herkomst, naam en staatsgesteldheid door Mr. E. Pelinck, Drentsch Museum van Oudheden te Assen). De Romeinsche geschiedschrijver Tacitus rekent de stammen tot het groote volk der Germanen, wier zeden en gewoonten hij heeft beschreven. Een afzonderlijken stam als bepaalde bewoners van D. vinden we niet genoemd, maar nergens zijn oud-Germaansche zeden, gebruiken, instellingen zuiverder en langer bewaard gebleven dan hier. We vinden vermeld, dat de Romeinen op hun tochten in die zeestreken niet zelden van stormen en watervloeden te lijden hadden, en dat ze er houten wegen (veenbruggen) aanlegden om door de moerassen te komen.

Al in de tweede eeuw vinden we ook melding gemaakt van invallen en strooptochten door volksstammen en horden uit het Noorden, waarvan Friesland, Groningen en D. te lijden hadden, en die in later eeuwen zóózeer toenamen, dat die Noormannen langen tijd de schrik van West-Europa waren. — Nadat de Romeinen uit deze landstreken verdrongen waren, werden Franken, Saksen en Friezen de machthebbers, die elkaar bestreden, totdat Saksen en Friezen door Karel den Groote werden onderworpen en hun gebied bij het Frankische rijk werd ingelijfd. Goedschiks of met geweld werd onder Karel den Grooten overal het Christendom ingevoerd. De oudste kerkdorpen van D. waren dan ook de hoofdplaatsen der deelen, waarin dit gewest oorspronkelijk was verdeeld, ’t Waren de z.g. kerkspillen of dingspillen, zes in getal: die van Rolde, Beilen, Diever, met gelijknamige hoofdplaatsen, het Noordenvelder met de hoofdplaats Vries, het Zuidenvelder met de hoofdplaats Sleen, en het Oostermoerder dingspil met de hoofdplaats Anloo. Al in de negende eeuw (omstreeks 820), tijdens de regeering van keizer Lodewijk den Vromen, wordt „het Huis Anloo in het landschap D.” vermeld. In die kerkgemeenten of kerspillen werd het geestelijk gezag uitgeoefend door dekerspilpriesters of pastoors, van wie één deken van D. was en als zoodanig het geestelijke hoofd, onder verantwoordelijkheid aan dat der Mariakerk te Utrecht. Van dit oppertoezicht in kerkelijke zaken, door Utrecht in Drente uitgeoefend, zou nog het zittende Mariabeeld met het kind Jezus op de linkerknie, voorkomende in het Drentsche wapen, getuigenis geven. De wereldlijke rechtsmacht in de dingspillen werd uitgeoefend door den schulte of schout. (Zie: Geschiedkundig overzicht van de Besturen, die, voor de herstelling van Nederland in 1814, elkander in D. zijn opgevolgd, door J. S. Magnin. Drentsch Museum.) — Het landschap D. nu werd door een beschikking van keizer Hendrik II in 1024 tot een graafschap verheven, waarover de bisschop van Utrecht graaf zou zijn ; in 1046 werd dit door keizer Hendrik III bevestigd en bisschop Bernold met het geestelijk zoowel als wereldlijk oppergezag in Drente bekleed.

Van nu af stelde de bisschop van Utrecht plaatsvervangers aan, die verblijf hielden op de Huizen of Kasteelen te Groningen en te Coevorden en in zijn naam het wereldlijk gezag uitoefenden. Maar het optreden van den bisschop als graaf van D. was niet algemeen naar den zin der bevolking; twee partijen, die zich Gelkingen en Groenenbergers noemden, ontstonden en waren weldra in strijd. De eerstgenoemden, ’s bisschops vijanden, versterkten Groningen, verwoestten het slot Groenenberg, maakten onder aanvoering van den slotvoogd van Coevorden de St. Walburgskerk tot een vesting, maar werden door bisschop Herbert van Bierum met een gewapende macht bedwongen. De bisschop bracht nu de waardigheden van burggraaf of slotvoogd van Groningen en Coevorden als erfelijke leenen aan het bisdom en bekleedde er twee van zijn broeders mee. Dit gaf opnieuw aanleiding tot ontevredenheid en jarenlangen strijd, die met afwisselend geluk werd gevoerd en waaraan ook de graaf van Gelder, die van Bentheim en de edelen van Salland openlijk of heimelijk deel namen. De bisschop trachtte het gezag van zijn voornaamsten vijand, den slotvoogd of kastelein van Coevorden, Rudolf, zooveel mogelijk te beperken, en bepaalde in 1195, dat het voortaan niet verder zou gelden dan in de heerlijkheid Coevorden, terwijl het overige Drente in erfelijk leen zou komen aan de Heeren of Ridders van Eelde, met den titel Schulte van Drente. Deze opdracht schijnt weer kwaad bloed gezet te hebben tusschen de Ridders van Eelde en die van Peize, afstammelingen van een derden broeder van bisschop Herbert van Bierum.

Aan ’t gezag dier Schuiten van Eelde was niet onderworpen de heerlijkheid Ruinen, die direct onder den bisschop stond. (Zie Magnin, als boven, die ook naamlijsten van Utrechtsche bisschoppen, van Schuiten van Drente en van slotvoogden van Coevorden vermeldt). Rudolf van Coevorden en zijn aanhangers maakten het den bisschop Otto II (van der Lippe) zoo lastig, dat deze hem vredesvoorstellen deed en toen hij die weigerde, trof hem ’s bisschops banvloek en werden ze van hun rechten en bezittingen vervallen verklaard. Tevens trok Otto met een sterk leger door Overijsel naar Coevorden. Ook Rudolf kwam met een leger, en weldra stonden ze tegenover elkaar bij Ane. In den slag (1227) werd het leger van den bisschop, onbekend met de gevaren van den moerasgrond, door Rudolf verslagen en velen, ook de bisschop zelf, sneuvelden. Zijn opvolger wreekte wel zijn dood en ruimde Rudolf uit den weg, maar de strijd duurde voort tot het huwelijk van Rudolfs dochter met Hendrik van Borculoo, die toen de heerlijkheid Coevorden als leen kreeg (1231) en ook onder den volgenden bisschop, Otto III, behield. Toch werd er in ’t verder verloop der 13e en in de 14e eeuw in D. bijna voortdurend strijd gevoerd tusschen de Ridders van Eelde en Peize, de Groningsche partijen der Gelkingen en Groenenbergers, de Utrechtsche bisschoppen, de Friezen van Stellingwerf en Schoterland, de Kasteleins van Coevorden en wie zich al meer daarin gemengd mogen hebben. Nadat bisschop Fred. van Rlankenheim in 1395 Coevorden had ingenomen, werden in de kerspillen de vroeger genoemde Schuiten of Schouten als wereldlijke rechters aangesteld.

Zij moesten Drentsche eigenerfden zijn, d. i. bezitters van een eigen erf, met aandeel in de onverdeelde gronden van hun mark (onderdeel van ’t kerspil). De aloude rechten der bevolking werden door den bisschop gehandhaafd en beschreven, evenals haar verplichtingen jegens den Landsheer. De „boerenvergaderingen” in de dorpen, de „markvergaderingen” in de marken, de z.g. „hagelspraken” in de dingspillen, de „landsdagen” in ’t heele gewest, met den drost als voorzitter, bleven in stand, ieder eigenerfde had er toegang en kon er zijn zaken bepleiten. De drost was tevens voorzitter van den „Etstoel”, samengesteld uit hem en 24 „etten” of rechters, vier uit elk oorspronkelijk dingspil. Zij vergaderden driemaal ’s jaars, te Balloo, Rolde en Anloo, om recht te spreken en boeten op te leggen. De vonnissen („ordelen”) werden door den landsschrijver opgeteekend in het „ordelboek”. Coevorden kreeg in 1408 een stadsrechtsbrief, die de regeering aan Burgemeesteren, Schepenen en Raden opdroeg, en in 1410 kreeg heel D. een landrechtsbrief, naar den bisschop het landrecht van Frederik van Blankenheim genoemd, dat een paar eeuwen lang geldig is gebleven. Nog andere oorzaken brachten D. in die dagen in verdeeldheid en strijd, n.l. zijn deelnemen in de geschillen der Schieringers en Vetkoopers. ’t Was stellig geen wonder, dat onder den voortdurenden oorlogstoestand en den druk van roofzuchtige benden de openbare veiligheid, zoowel als de moraliteit der bevolking, van ’t Landschap weinig meer te beduiden hadden, zoodat de bisschop strenger recht en zwaarder straf noodig achtte.

Daarvan getuigde het in 1447 uitgevaardigde en naar hem genoemde landrecht van Rudolf van Diepholt. Ook zijn dood gaf weer aanleiding tot strijd over de opvolging tusschen Gijsbrecht van Brederode en David van Bourgondië, onechten zoon van hertog Filips van Bourgondië, die door den steun van zijn machtigen helper, weldra den bisschopszetel innam (1456). We lezen, dat in dezen tijd vooral veel leven en welvaart in D. kwam door de toenemende vervening, bijzonder in den Zuidwesthoek, waarvan het opkomende Meppel niet gering partij trok. (Zie Magnin, als boven). — Opnieuw beleefde ’t gewest onrustige tijden in ’t laatst der 15e en ’t begin der 16e eeuw. In 1498 benoemde de Roomsch-koning, later keizer Maximiliaan, hertog Albrecht van Saksen tot erfpotestaat of stadhouder van Friesland tusschen Vlie en Eems. De Friezen erkenden hem, de Groningers niet, evenmin zijn zoon en opvolger George. In den oorlog, die hieruit ontstond, werden de Groningers bijgestaan door den bisschop van Utrecht, die ook door de Drentenaren ondersteund werd. Krijgsvolk van Groningen, van den hertog van Saksen en van Karei van Egmond, hertog van Gelder, die ook de Groningers bijstond, hield roovend en plunderend in D. huis. Bovendien trad de kastelein van Coevorden en Drost van D., Roelof van Munster, heer van Ruinen en Ruinerwold, gewapend tegen den bisschop op.

En dat de Drentenaren geen inbreuk op hun aloude rechten duldden, ondervond bisschop Filips van Bourgondië (1517—’24) bij zijn streven om den invloed van den Drentschen adel te versterken, dien van de ongeadelde eigenerfden te verminderen, door D. tot een onderdeel van Overijsel te maken en de Ridderschap tot uitsluitend vertegenwoordiger daarvan. Om dit door te zetten belegde hij een samenkomst van de edelen uit D. en Overijsel te Vollenhove. Maar de in hun rechten bedreigde eigenerfden trokken eveneens naar Vollenhove en joegen de vergadering der edelen uiteen. Intusschen moest de bisschop zich wapenen tegen de toenemende macht van den hertog van Gelder, die heel D. en Overijsel wilde veroveren. Hij benoemde Frederik van Twickeloo, een ijverig aanhanger van hem, tot kastelein van Coevorden en Drost van D., en deze versterkte terdege Coevordens vestingwerken, terwijl Karei van Egmond met zijn leger plunderend in D. en Twente rondtrok. Eindelijk zond hij een deel zijner strijdmacht onder Johan van Selbach op Coevorden af, dat zich moest overgeven, evenals weldra ook het kasteel. De Geldersche hertog kon zich heer en meester van D. noemen (1522). Onder hem beleefde ’t landschap een harden tijd; de rechten der ingezetenen werden niet erkend, zware schattingen van hen gevorderd.

Nagenoeg overal ontstond dan ook verzet tegen den dwingeland en huldigde de bevolking zijn machtigen vijand keizer Karei V als landsheer. D. deed dit in 1636. Keizer Karel stelde er zijn veldheer George Schenck van Tautenburg tot stadhouder en kastelein van Coevorden aan. ’s Keizers regeering stak bij die van den hertog van Gelder gunstig af; in hoofdzaak werden de oude rechten en vrijheden der bevolking gehandhaafd ; alleen tegen de uitbreiding der Kerkhervorming trad hij streng op. Nog strenger deed dit zijn zoon en opvolger Filips, dien de Drentenaren ook als hun landsheer erkenden, nadat hij hun rechten en vrijheden bezworen had. Hij wilde D. onder kerkelijk gezag van het bisdom Groningen stellen, wat groote ontevredenheid wekte. Aan den beeldenstorm werd echter, voor zoover bekend is, door de Drentsche bevolking geen deel genomen. Toch had D. al dadelijk in ’t begin van den tachtig]arigen oorlog, die volgde, veel te lijden van de Spaansche troepen zoowel als van hun bestrijders. Zware schattingen moesten de bewoners opbrengen; vooral na den afval van Rennenberg kwamen jaren van ellende en zoo goed als regeeringloosheid.

In ’t jaar van dien afval trad D. tot de Unie van Utrecht toe en werd als lid daarvan erkend en opgenomen. Echter moet gezegd worden, dat het landschap zich niet als een bijzonder waardig lid der Unie gedroeg, weinig of geen deel nam aan de vergaderingen der Algemeene Staten, niet bijdroeg in de lasten, die het oorlogvoeren noodzakelijk maakte, ja zelfs voortging den vijand van het noodige te voorzien. De verwijdering, die hierdoor tusschen de zeven provinciën en ’t landschap moest ontstaan, was oorzaak, dat men het niet meer als lid der Unie beschouwde, ook nadat door de verovering van Groningen (1594) de door Rennenbergs verraad verloren landstreken weer aan het Spaansch gezag ontrukt waren. D. werd vrijwel beschouwd en behandeld als wingewest, en lang heeft het de uitsluiting van zitting ter Generaliteit moeten verduren, in weerwil van talrijke pogingen om er een eind aan te maken, wat eerst in 1795 gelukte. Nadat Drente aan de Staatsche zijde was teruggebracht, werd Willem Lodewijk van Nassau er tot stadhouder aangesteld, die zich verdienstelijk maakte door de verwarde zaken van ’t landschap te regelen, Schuiten en Etten te benoemen, orde op de financiën te stellen, de bevolking trouw aan de Generaliteit te doen zweren, de Kerkhervorming in te voeren. Na hem traden als stadhouders op: Maurits, Ernst Casimir, Hendrik Casimir, Frederik Hendrik, Willem II, Willem Frederik, Hendrik Casimir II, Willem III, Willem Karel Hendrik Friso (Willem IV), Anna, als gouvernante, Willem V. — (Zie ook bij Magnin een volledige lijst der Stadhouders van Drente, en vooral: De Stadhouders van Drente, hun macht en staatsrechtelijke verhouding tot het Landschap, door Mr. L. Oldenhuis Gratama, Drentsch Museum.

Aangaande de pogingen, vóór en na den Munsterschen vrede door D. aangewend om als lid der Unie te worden opgenomen, zie: Drente’s recht op sessie ter Generaliteit, door Dr. K. Lyndrajer, Drentsch Museum). Nog tijdens het stadhouderschap van Willem Lodewijk werd bepaald, dat het landschap voortaan zou worden vertegenwoordigd door Ridderschap en Eigenerfden, de eerste met één, de laatsten met twee stemmen op de landdagen, en dat het dagelijksch bestuur zou worden uitgeoefend door een college van Drost en Gedeputeerde Staten. In 1614 werd door Ridderschap en Eigenerfden een nieuw landrecht van D. vastgesteld. — De oorlog van 1672, de inval der Munsterschen in D., hun verovering van Coevorden, belegering van Groningen en de herovering van Coevorden door Rabenhaupt en v. d. Thynen zijn voldoende bekend. In den loop der 17e en 18e eeuw hadden vooral de veenontginningen in D. grooten voortgang, waardoor Hoogeveen, Smilde en Gasselternijeveen als veenkoloniën ontstonden. — Tijdens de Bataafsche Republiek was D. (1798 — 1805) een onderdeel van het departement v. d. Ouden IJssel, onder het koninkrijk Holland een afzonderlijk departement, na de inlijving een deel van het departement v. d. Wester-Eems. De grondwet van 1814 stelde het oude landschap als provincie met de overige gelijk.

Litteratuur: Behalve de oudere, als: „Tegenwoordige Staat”,laatste Deel „Drente”; ende „Aloude Staat” van G. Acker Stratingh; benevens Picardt, Antiquiteiten; Magnin, Besturen in Drenthe, Kloosters in Drenthe; en de reeks artikelen in onderscheidene jaargangen van de Drentsche Volksalmanak, zij hier gewezen op: R. Schuiling, Grenzen van Drente (Tijdschrift Geschiedenis Land- en Volkenkunde 1896); Steenhuis, Grondboringen in Drente en Friesland 1916, waarin veel litteratuur is behandeld. Voor de archaeologie op verschillende publicaties Van Dr. J. H. Holwerda, o. a. in de Mededeelingen van het Rijks Museum van Oudheden te Leiden (voor de uitkomsten van de ontginning van 2 hunnebedden bij Drouwen, no. VII) en Praehistorische Zeitschrift (o.a. voor die van Emmen); idem, Nederlands vroegste Geschiedenis (1918); over Veenbruggen: Dr. A. E. v. Giffen in Mededeelingen Rijks Museum Leiden no.

VII en G. J. A. Mulder, Veenbruggen (Tijdschrift van het Kon. Ned. Aardr. Genootschap 1911); in beide artikelen de litteratuur over dit onderwerp; over Veenvorming o.a. de verschillende werken en artikelen van Weber (zie hiervoor art. Veen, de Natuur 1911); voor veen-exploitatie: J. L. Rodingate Marissen, Leerboek der Grondverbetering, 2e deel.