Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 13-12-2018

2018-12-13

Drama

betekenis & definitie

Drama - stad in Grieksch-Macedonië aan den spoorweg Saloniki—Constantinopel; 12.000 inw. De stad ligt op een ongev. 100 M. hooge vlakte, die geheel ingenomen wordt door tabaksplantages. De uitvoerhaven voor dit gebied is Kawala aan de Egeïsche zee, waarmee D. door een spoorweg verbonden zal worden. D. kwam in 1913 aan Griekenland.

Drama van een Grieksch werkwoord „drân” = handelen, dus handeling; onder het drama verstaat men dus die litteratuursoort, waarin een handeling wordt vertoond, Daar het een handeling beschrijft en die door personen laat uitspreken, is het dus ontstaan uit een samensmelting van epiek en lyriek, daardoor is het te begrijpen, dat steeds en overal deze kunstvorm zich het laatst ontwikkeld heeft. Het is objectief voor zoover het de handelingen vertoont, subjectief voor zoover het de uitingen der personen laat hooren. Daar het bovendien handelingen moet geven, die in overeenstemming behooren te zijn met de karakters der optredende personen, vereischt het psychologische kennis èn objectiviteit, wijl de dichter zich tegenover zijn personen moet stellen. — Een d. beantwoordt pas dan geheel aan de eischen, wanneer het geschikt is om te worden vertoond op het tooneel, door de handeling moet het boeien; doet het dat niet, dan is het een leesdrama en beantwoordt het niet aan zijn eigenlijke bestemming. Dit kan ook het geval zijn, wanneer aan het tooneel decoratieve eischen worden gesteld, waaraan niet te voldoen is. De middelen om een d. te vertoonen zijn: dialoog, gebaren en mimiek. De drama-schrijver is dus afhankelijk van anderen, die zijn werk uitbeelden. Over de compositie van een d. zijn ten allen tijde allerlei theorieën en inzichten ten beste gegeven; in het algemeen kunnen wij zeggen, dat in onzen tijd men zich aan bepaalde regels niet houdt; wel wordt nog steeds op den voorgrond gesteld de éénheid van handeling, d. w. z. dat er door het geheele stuk één grondgedachte loopt en dat alles wat gebeurd in samenhang is. Wordt te veel aandacht geschonken aan bijzaken, dan kunnen er wel op zich zelf voortreffelijke tooneeltjes ontstaan, maar de aandacht wordt van de hoofdhandeling afgeleid.

De aandacht op de éénheid van handeling werd reeds door Aristoteles gevestigd, bovendien wilde deze éénheid van plaats en tijd. De verschillende deelen der handeling mochten niet op te grooten afstand van elkander plaats vinden, en de tusschenpoozen mochten ook niet te lang zijn, daar dan de natuurlijkheid er onder zou lijden. Ten onrechte heeft men gemeend, dat Aristoteles leerde, dat een handeling zich niet over langeren tijd dan 24 uren mocht uitstrekken. Vooral in de 18de eeuw heeft men gearbeid volgens de regels van A., maar men kreeg op deze wijze zeer gewrongen en gewilde stukken. Ook in ons land deed men dit in dien tijd, toen het zgn.

Fransch-classieke d. hier zijn invloed deed gelden, Na Corneille heeft men deze regels losgelaten en is men zich grootere vrijheden gaan veroorloven. Wat den bouw van het d. betreft, naar den uiterlijken vorm wordt het verdeeld in bedrijven, een bepaald getal is niet vast te stellen. In navolging van de klassieken meende men in de 16de en 17de eeuw wel, dat het er vijf moesten zijn, doch ook dezen regel heeft men niet steeds toegepast. De bedrijven worden verdeeld in tooneelen, elk nieuw tooneel geeft verandering van situatie en personen.

Naar den gang van het d. kunnen wij onderscheiden:

1) de expositie of uiteenzetting;
2) de intrigue of verwikkeling;
3) de catastrophe of wending;
4) de peripatie of plotselinge ommekeer.

In de expositie worden wij ingelicht omtrent den heerschenden toestand, als het d. begint. De intrigue geeft de botsing der karakters, bij de katastrophe vangt de oplossing aan en de peripatie brengt de wending naar den eenen of den anderen kant. Zoo onderscheidde Aristoteles; Gustav Freytag nam 5 onderdeelen aan: expositie, climax, hoogtepunt, omkeer en catastrophe. — Waar men in verschillende opzichten zich niet meer bekommert om bepaalde regels en voorschriften en men niet meer schrijft volgens vaste recepten, daar zullen begrijpelijkerwijze ook andersoortige drama’s ontstaan. Zoo hebben wij tegenwoordig tal van drama’s, die veel meer een milieu-schildering vertoonen dan één bepaalden hoofdpersoon. Hauptmann en ten onzent Heyermans zijn de goede vertegenwoordigers van dit type van drama (Hauptmann, „Die Weber”; Heyermans, „Op Hoop van Zegen”). Ook spreken wij van situatie-drama’s en karakterdrama’s; in de eerste treedt de handeling meer op den voorgrond, in de laatste meer de ontwikkeling der karakters. Speelt het d. meer in de verbeelding dan in de werkelijkheid, dan spreken wij van sprookjesdrama’s. — In Europa is het d. ontstaan in Griekenland en staat in verband met de vereering van den god Dionysus (Bacchus), evenals het blijspel. Bij de feesten ter eere van dezen god zongen koorleden in het kostuum van op bokken gelijkende saters liederen (tragooidia = gezang der bokken, tragedie).

Dit saterspel ontwikkelde zich tot een dramatische handeling, waarbij het bokkenkostuum plaats maakte voor een kleeding in overeenstemming met de handeling. Grondlegger van het d. was Thespis (± 530 v. Chr.), die een tooneelspeler tegenover het koor deed optreden tusschen de liederen, die zij zongen. Aeschylus voegde hieraan een tweeden tooneelspeler toe, waardoor de dialoog ontstond als hoofdzaak. Door Sophocles werd nog een derde acteur aan de beide eerste toegevoegd. Als eisch gold: ernstige behandeling van een ernstig onderwerp. De tooneelspelers traden op in maskers en spraken door bazuinen; de Grieken hadden geweldig groote theaters voor duizenden toeschouwers; de vertooning had altijd plaats in de open lucht. De Romeinen volgden het Grieksche d. geheel na; zij misten alle oorspronkelijkheid. — Het Middeleeuwsche d. is ontstaan uit den kerkdienst, wiens symbolen aanleiding waren tot dramatische vertooningen.

Bij het Kerstfeest en Paschen werden de Engelenzang, de herders, de wijzen uit het Oosten, de graflegging voorgesteld. Daaruit ontstonden de vertooningen van verschillende voorvallen uit het leven van Jezus. Ook het voorspel der verlossing: Paradijsgeschiedenis en zondeval werden uitgebeeld. Uit deze officia ontwikkelden zich de mysteriën en de passiespelen. Sedert de 13e eeuw werd het kerklatijn vervangen door de volkstaal, leeken traden op inplaats van de geestelijken, de vertooningen, eerst in de kerk gegeven, verhuisden naar een tooneel daarbuiten. (Zulke passiespelen worden tegenwoordig nog in Oberammergau vertoond, waar zij groote belangstelling ook van uit het buitenland trekken.) Zoo komen de vaste schouwburgen tot stand en ontwikkelt zich ook het wereldlijk tooneel. Voor de verdere geschiedenis van het Nederlandsche drama zie men het artikel NEDERLANDSCHE LETTERKUNDE; voor die van het buitenlandsche de verschillende andere Letterkunden.