Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 13-12-2018

Dividend

betekenis & definitie

Dividend - uitkeering,in het bijzonder 1) winst uitkeering van naamlooze vennootschappen en andere vereenigingen 2) kapitaaluitkeering van eene vennootschap in likwidatie 3) uitkeering aan de schuldeischers in een faillissement. Uitkeeringen, als bedoeld onder 2 en 3, hebben plaats telkens wanneer daarvoor bij de vereffening voldoende middelen beschikbaar zijn (vergel. art. 34 K., art. 179 F.). Dividenden, bedoeld onder 1, worden veelal uitgekeerd na goedkeuring van de winst- en verliesrekening aan het einde van ieder boekjaar; soms ook wordt tusschentijds reeds eene uitkeering gedaan op rekening van het loopende jaar, interim-dividend geheeten. Uitkeering van dividend mag slechts geschieden, indien werkelijk winst is gemaakt of daarvoor eene reserve aanwezig is, gevormd uit in vroegere jaren niet uitgekeerde winst. Door een dergelijke dividendreserve (op de balans van de Bank v. Engeland als „rest” aangeduid) tracht men meermalen de uitkeeringen voor sterke schommelingen te behoeden.

Een vast percentage kan echter uit de middelen eener naamlooze vennootschap nimmer worden be loofd. Wel kan daarentegen het dividend van tevoren tot een maximum-percentage worden beperkt (49 K.). Zulks geschiedt b.v. veelal, indien èn gewone èn preferente aandeelen zijn uitgegeven, voor de laatste; verder meermalen voor alle aandeelen, in vennootschappen welke, niet zoozeer winstbejag als wel een sociaal doel beoogen (vergel. art. 10 van het Kon. Besl. van 28 Juli 1902, Stb. 160, ter uitvoering van eenige artt. der Woningwet). Voor Superdivi dend zie aldaar.