Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 13-12-2018

Cuypers

betekenis & definitie

Cuypers - (Petrus Josephus Hubertus), Nederlandsch bouwmeester, geboren 1827 te Roermond, leerling van de Akademie te Antwerpen, 1850 als architect te Roermond gevestigd, waar hem de restauratie van de O. L. Vrouwe Munsterkerk werd opgedragen. In 1852 richtte hij tevens een werkplaats voor beeldhouwwerk en meubelen, vooral kerkelijk meubilair, te Roermond op, die thans nog bestaat. Overtuigd Katholiek en als artiest volgeling van de theorieën van Viollet Le Duc werd C. één der eerste voorstanders van het middeleeuwsch Gotisch nationalisme in Nederland. Reeds vroeg predikte hij de eenheid van constructie en versiering, veroordeelde de „opgeplakte” renaissance-sieraden en streefde er naar ook eenen staf te vormen van uitvoerende artisans op allerlei gebied van de kunstnijverheid.

Velerlei technische kunsten, die in Nederland overigens in dien tijd nauwelijks meer tot het gebied van den bouwmeester gerekend werden, zijn door C. in eere hersteld en het resultaat van zijn bemoeiingen was wel in de eerste plaats, dat hij uit eigen kracht, gedragen door talent en overtuiging, de bouwkunst weer tot eere bracht als een kunst en den bouwmeester tot aanzien als een kunstenaar. De algemeene beweging in deze richting onder de Duitsche Katholieken, van de gebr. Boisserées af tot op Schnügen en Reichensperger toe, was C.’ streven gunstig, mannen als Alberdingk Thijm en later Victor de Stuers steunden zijn pogingen en wisten de juiste propaganda voor zijn kunst te maken. Zoo verkreeg hij reeds vroeg aanzienlijke opdrachten, bouwde de Katholieke kerken te Eindhoven, Wijk, en de bekende Vondelkerk te Amsterdam. In deze werken gaf hij blijken genoeg, waarlijk een eigen stijl te bezitten, al waren alle motieven ontleend, al was de naam van de historische vormen, waarvan hij zich bediende, ook de Gotiek en al was het specifiek karakter dier neo-Gotische bouwvormen ook het Fransche, zooals dat door Viollet le Duc werd aangeprezen. Reeds in 1863 deed hij mee aan een prijsvraag voor den vorm van een groot nationaal kunstmuseum te Amsterdam (2e prijs).

Hij vestigde zich daarop te Amsterdam en werd, nadat hij de restauratie van den Dom te Mainz, 1872—75, had geleid, met de architecten Eberson en Vogel uitgenoodigd, een ontwerp voor het op te richten Rijks-Museum te leveren. Ditmaal werd zijn ontwerp gekozen en het gebouw werd tusschen 1877 en 1885 opgetrokken. — Daarna heeft hij met den architect A. L. v. Gendt het Centraal-Station gebouwd (1881—89), terwijl hij onderwijl vele Katholieke kerkgebouwen in Nederland ontwierp en uitvoerde (Leeuwarden. Bussum, Amsterdam, Delft, Nijmegen, Groningen, Hilversum). In de jaren 1890—92 bouwde C. het kasteel Haarzuylen bij Utrecht, waarvan niets dan eenige bouwvallen overgebleven waren. Hij trok het op en richtte het in, in den stijl, dien hij aanzag voor een bewuste herschepping van de oude bouwwijze in Nederland. Van 1874 af heeft hij buitendien bijna alle restauratiewerken in Holland geleid en onderwijl zette hij nog lang zijn zeer vruchtbaar leeraarschap van de kunstnijverheidschool te Amsterdam voort.

C.’s Gotiek berust op de beginselen van Viollet le Duc, maar heeft toch een zelfstandig karakter. De eigenaardige vermenging van de Gotische bouwvormen met détails uit het begin der 16e eeuw in Frankrijk (Rijks-Museum) met gegevens, die slechts de Nederlandsche Bouwkunst der 17e eeuw hem verstrekten, bepaalden dit afwijkend karakter reeds uiterlijk. Gewichtiger echter is het persoonlijk handschrift, wat uit de silhouetten zijner opstanden spreekt; gewichtiger, de bewegelijkheid zijner fantasie, die niet meer naar voorbeelden behoefde uit te zien, terwijl hij werkte, maar die hem in staat stelde het eens opgenomen gegeven te herscheppen en in een persoonlijken vorm te brengen. In den lateren tijd van zijn leven werd die manier van C. bijna tot een richting, waarin natuurlijk ook veel slechte nabootsingen plaats vonden. Over het algemeen kan men thans wel zeggen,dat de bouwmeester C. meer zin had voor den grooten opzet, dan voor het détail, dat hij wel ontwierp, maar waarvan bij de uitvoering veel van de intentie verloren ging. Zijn groote schare helpers had te weinig zelfstandigheid en in al de onderdeelen (beeldhouwwerken, wandschilderingen, polychromie, enz.) zijner gebouwen, bemerkt men, dat de leerlingen slechts oppervlakkig de bedoelingen van den meester weergaven. De moderne richting der mannen van ’80 (Berlage, de Bazel e. a.) is dan ook tegen C. opgetreden, ten eerste als imitator der oude Gotiek, wat hij ten slotte, naar reeds gezegd is, toch niet was, ten tweede als bijna te groot organisator, die te weinig persoonlijke hulpkrachten wist te kweeken. Alle jongeren eeren echter in den ouden architect, die in het jaar 1917 als negentig-jarige officieel gehuldigd is, den grooten vormgever en den veelzijdigen artiest, wiens levenswerk het toch geweest is, waardoor het mogelijk werd, dat een nieuwe phase der bouwkunst zich in Nederland heeft kunnen ontvouwen. — Litteratuur: Thieme-Becker’s Künstlerlexikon; voorts het officieele werk over het kasteel de Haar.