Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 15-11-2018

2018-11-15

Christus

betekenis & definitie

Christus - (Gr., van het werkwoord chriein, zalven), de gezalfde, komt overeen met het Hebreeuwsche Messias*, eigenlijk Massjieach. Bijnaam of ambtsnaam van Jezus*, die echter reeds spoedig den naam Jezus verdringt, bijv. bij Paulus en door dezen zelf weer als eigennaam wordt gebezigd. Bij Paulus toch komt Jezus maar 17 of 18 maal voor (in Kol. geheel niet), tegen 210 maal Christus en 60 maal Christus Jezus. Jezus Christus vindt men 20 maal.

Waar de oude Christenen Jezus in zijn ambt C. noemen, denken ze aan den Zoon van David, aan het koninklijke ambt van den Zoon van God. Koningen toch werden vooral gezalfd. Van priesterzalving was in het huis van David geen sprake en profeten werden slechts bij uitzondering gezalfd.

(Dogm.). Terwijl de naam Jezus speciaal den historischen, menschelijken persoon aanduidt, beschrijft de naam C. het ambt, werk van Jezus als blijvend voorwerp van geloof en vereering. Voor de Chr. Kerk en kerkleer zijn beide onafscheidelijk een: persoon en ambt. Deze eenheid is in onzen tijd voor velen onduidelijk, of illusoir. Zij onderscheiden scherp tusschen feit en idee, historie en waardeering. Dit maakt het z.g. Christus-probleem zeer moeilijk. Het Christusgeloof is van O.T.-sche afkomst. Jezus heeft zich volgens het N. T. voor den Christus (Messias) gehouden, d. i. voor den in de oude bedeeling beloofden koning van het Godsrijk; hij treedt daar ook met volstrekt gezag op.

Zijne apostelen hebben Hem als zoodanig beleden (Matth. 16: 16). Deze belijdenis vormt de eigenlijke akte van zijn beschuldiging en kost Hem het leven (Matth. 26: 63 v.). Het geloof der oude Christenen gaat van haar uit (Hand 2:36). De naam Christus wisselt af met: „Zoon van God”, als uitdrukking van zijne betrekking tot God, en Heer (Kurios), als uitdrukking van zijne betrekking tot den mensch, en is dus universeel. De ontwikkeling van inhoud en vorm houdt eeuwenlang religieus en dogmatisch de kerk bezig. De naam Christus drukt uit alles wat Christus is en gedaan heeft als trait d’union tusschen God en mensch, menschheid, wereld. Dit wordt drieledig ontwikkeld. Hij is Profeet, d.i. hij openbaart Gods wil; Hij is Priester, d.i. Hij offert zich op ter verzoening van mensch en God; Hij is Koning, d.i. Hij heerscht in Gods naam. Zie AMBT.

Nu kan de nadruk verschillend worden gelegd; ook de sfeer verschillend bepaald, enger of wijder. Christus’ werk kan worden betrokken op den enkelen mensch, de menschheid of de wereld. Ook meer op het inwendige of uitwendige leven; op het zieleleven: als vergeving, verzoening; op het algemeene leven: als kracht ten goede tot eer van God. Ook vooral op het nu: als rust in God,, of op de toekomst: als vernieuwing, verheerlijking van het wereldgeheel. Deze onderscheidenheid ligt voor de hand, omdat de betrekking tusschen God en schepper zoo universeel is. Daarom is plaats voor groote universeele verscheidenheid in de leer van Christus, in zooverre hij ethisch ’s menschen wil en leven voor God wint; mystisch zijn geheele ziels bestaan in God rust wil vinden; kosmisch de geheele wereld met God verzoent. Vandaar dat men op verschillende wijze zijn werk of ambt als Christus heeft trachten uit te drukken. Vooral door de formule van God-mensch, Gods Zoon en ’s menschen Zoon, de leer van de z.g. twee naturen, de goddelijke en de menschelijke, die in één persoon verbonden worden.

Deze formule liet psychologisch en wijsgeerig veel te wenschen over. Men gaf haar voor beter, maar bedoelde: 1. de verbinding tusschen God en mensch in Christus zoo reëel en universeel mogelijk, niet slechts als één van wil (ethisch), maar ook van wezen (metaphysisch), 2. tegelijk de essentieele onderscheiding tusschen God en niet-God (schepsel) beslist te handhaven. Deze Christus-leer is door de oude Kerk geijkt. De hervorming heeft haar overgenomen. De laatste eeuw heeft haar in verband met de nieuwe wijsgeerige ontwikkeling op zware proef gesteld. Hegel heeft Christus voorgesteld als realisatie van de idee in den vorm van een zelfbewusten geest; hiertegen heeft Strauss opgemerkt, dat de idee hare volheid niet in een enkel individu kan uitstorten. Inderdaad is een Christus, die slechts in een denkbeeld bestaat, onmogelijk en onnoodig; de H. S. legt den nadruk op Christus’ reëele menschheid met haar aandoeningen, zwakheden, medelijden. Ook de Christus der moderne theologie, die als prediker en hervormer optreedt en slechts van Gods- en naastenliefde weten wil, zonder wonderen, offer enz., is eene voorstelling, los van het historische en religieuze milieu van O. en N. T. De jongere z.g. godsdiensthistorische school tracht C.' te verklaren in verband met of geheel uit de stroomingen in de Joodsche en heidensche wereld tijdens het begin onzer jaartelling óf als een nationaal-Joodsch getypeerde figuur óf als een min of meer ideale constructie, waarop de attributen van het Joodsche Messias-ideaal en later die van den Kurios, het voorwerp der vereering in de verschillende Hellenistische culten, zijn overgedragen.

Daarbij komt, dat de tegenwoordige wijsgeerige en vooral psychologische wetenschap met haar zin voor het onbewuste leven, het vloeiende karakter van het bewustzijn in zooverre dit zich in de z.g. persoonlijkheid concentreert, nieuw licht doet vallen op de kerkelijke formule van den persoon en de naturen van Christus. Daarbij ontvangt de leer der Kenosis of ontlediging (Php. 2), volgens welke de Zoon van God, ten behoeve van zijn roeping van dienstbaarheid op aarde, tijdelijk zijne goddelijke heerschappij aflegt, als een soort incognito, nieuw reliëf. Hierbij is het van belang, dat de kern der Christusbelijdenis wordt vastgehouden, nl. de verzoening van God en mensch (wereld). Dit is iets geheel anders dan een vorm van helden-vereering (Carlyle’s Heroworship): deze geldt iemand, die over meer dan gewoonmenschelijke kracht beschikt en daardoor inspireert. Hier is sprake van karaktervorming, verheffing van den mensch, niet van verzoening met God. Ook de standaard-mensch, die de prediking van het vaderschap Gods en van naastenliefde brengt en zich desovereenkomstig toewijdt, waarbij alles aankomt op den indruk, dien men van hem ontvangt, los van de data van zijn leven en vooral van den achtergrond van dat leven, bijv. van zijn eeuwig, goddelijk bestaan buiten zijn aardsch leven en menschelijke verschijning om, (zoo de school van Ritschl) is iets anders. Het Christus-ambt bestaat in de reëele relatie, die de Christus legt tusschen God en mensch, in zooverre zij in hem zelven, in zijn persoon en wezen, aanwezig is, en zich in zijn woord en werk realiseert. Deze overtuiging heeft de Christelijke kerk geformuleerd in haar belijdenis: Jezus is de Christus, aan wien, als aan de persoonlijke verbinding van God en mensch, niets goddelijks en niets menschelijks vreemd is, als aan het middel en den waarborg van: 1. de religieus-ethische verzoening van den zondaar, 2. de universeele verbinding van het schepsel met God.

Daarbij komt het meer op den achtergrond der formule dan op de formule zelve aan. Toch is deze niet onverschillig, juist omdat zij plaats laat voor het mysterie der verbinding van God en mensch, persoon en natuur, dat trouwens terugkeert overal waar bewust, persoonlijk leven is. Als men bijv. Christus God noemt, omdat Hij voor ons de waarde van God heeft als drager van gehoorzaamheid, liefde, enz., is dit toch alleen mogelijk als men God niet als een wezen a part erkent. Evenmin beteekent Chr.’s menschheid iets zonder een reëel menschelijk leven in den tijd: eene Christus-fantasie vergoedt dit niet. Ten slotte laat zich het Christus-probleem niet historisch of wijsgeerig oplossen. Het hangt samen met algemeene onderstellingen, behoeften, overtuigingen in zake de betrekking tusschen God en mensch, de realiteit van het individueele leven, de zonde enz. Hor. Bushnellvan Nes, De Christus der Evangeliën, 1896.