Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 15-11-2018

Christenvervolging

betekenis & definitie

Christenvervolging beteekent wel is waar iedere poging het Christendom geweldig te onderdrukken, speciaal en gewoonlijk echter de pogingen, die de heidensch-Romeinsche staat in de eerste tijden van het Christendom deed om met de middelen van physiek geweld, de belijdenis van het Christelijk geloof uit te roeien. Deze pogingen duurden bijna 300 jaar: van het eerste uitbreken onder Nero (64 n. C.) tot de uitvaardiging van het edikt van Milaan door Konstantijn den Groote (313). Volgens het rechtsstandpunt duurden de vervolgingen ononderbroken voort, daar tot Konstantijn geen eigenlijk tolcrantie-edikt werd uitgegeven; feitelijk echter waren zij veelal onderbroken door kleinere en grootere rustpauzen; ook in aard en hevigheid waren zij zeer verschillend. Wat ’t laatste betreft, vervolgingen richtten zich voornamelijk volgens de gezindheid en opvatting der afzonderlijke Keizers, waarom de grootere en heviger vervolgingen gewoonlijk, niet ten onrechte, met den naam van den Keizer worden aangeduid.

Gewoonlijk (volgens Orosius en Augustinus) telt men 10 groote vervolgingen, aie naar volgende Keizers genoemd zijn: Nero, Domitianus, Trajanus, Marcus Aurelius, Septimius Severus, Maximinus de Thraciër, Decius, Valerianus, Aurelius, en Diocletianus. Moeilijk en veelomstreden zijn met betrekking tot de C. de volgende vragen: 1) waarom heeft de Romeinsche Staat met zijn erkende vergaande tolerantie jegens vreemde godsdiensten het Christendom vervolgd? 2) was het optreden van den heidenschen Staat tegen het Christendom willekeurig en rechtloos of steunde het op wettelijke bepalingen? 3) wanneer dit laatste waar is, volgens welke wettelijke bepalingen werden de Christenprocessen ingesteld ? Het gemakkelijkst is de eerste vraag te beantwoorden. Ontegenzeggelijk was de Romeinsche Staat jegens andere godsdiensten zeer tolerant; in zooverre hij hun godheden eenvoudig in den eigen Olymp opnam (dii adventicii). Dit was echter geen principieele religieuse verklaring, maar eenvoudig de aanpassing of uitbreiding van het polytheisme. Anders ontwikkelde zich de toestand tegenover het Christendom, hetwelk met de aanspraak op de absolute waarheid de negatie van alle andere eerediensten moest verbinden. Wel toonde de Romeinsche Staat zich zelfs tolerant jegens het Monotheisme van het Jodendom, maar hierbij kwam het Jodendom bijna niet in aanmerking als godsdienst, veel meer als een in zich gesloten natie; de Christenen echter stonden tegenover den staat als afzonderlijke aan de wetten onderworpen staatsburgers. Nu was het polytheïsme zoozeer met den Romeinschen staat samengegroeid, dat het rijksgodsdienst een formeele staatsinstelling geworden was, welker negatie tot strijd met den staat zelf moest leiden. Daarmee is indirect ook reeds de tweede vraag beantwoord.

Hoe regelloos, met fanatisme van wild gepeupel en door willekeur van Romeinsche beambten geleid, het gerechtelijk optreden tegen de Christenen dikwijls mag schijnen, het rustte toch op den vasten ondergrond van wettelijke bepalingen, waarmee de Christenen als zoodanig in tegenstrijd moesten komen. Vóór alles was ’t het begaan van sacrilegie en het crimen laesae majestatis (= majesteitschennis), waaraan de Christenen zich schuldig moesten maken door de weigering aan de beelden der godheden en het numen des keizers te offeren. Daar deze weigering bij oprecht Christendom geheel natuurlijk was („quorum” [= offers aan godheden] nihil cogi posse dicuntur, qui sunt révéra Christiani,” ep. Plinii ad Trajanum), zoo kon ’t gebeuren, dat reeds ’t nomen Christianum voor strafvervolging voldoende was; van den anderen kant wordt verklaard, dat offerbrenging strafvrijheid kon geven. Buitendien moest voor de Christenen ook het verbod van geheime bijeenkomsten gevaarlijk worden, welks overtreding door den Romeinschen staat streng werd gestraft, vooral als aan deze bijeenkomsten de verdenking van staatsgevaarlijkheid kleefde. Verder moesten de ziekengenezingen, uitdrijvingen van booze geesten, en andere wonderwerken der Christenen de heidensche rechters toeschijnen als artes magicae; deze waren eveneens aan strenge straf onderworpen. Eindelijk stond volgens Romeinsche staatswet het Christendom ook als religio nova et illicita (= nieuwe en ongeoorloofde godsdienst) onder straf, daar tot Galerius en Konstanten geen eigenlijke tolerantie-edikt werd uitgevaardigd.

Daarmee is ook de derde vraag beantwoord. Een strijdvraag is de verdere kwestie, of vóór Decius tegen de Christenen slechts decoërcitio magistralis (staatspolitiemaatregelen) werd aangewend, of wel of de Christenprocessen criminaal-rechterlijk karakter droegen; mogelijk ligt het juiste antwoord in het midden, dat geen van beide manieren uitsluitend aangewend werd, maar het een of het andere al naar omstandigheden. Een strijdvraag is verder nog, of vóór Decius de Christenen slechts op grond van bovenstaande algemeene wetten vervolgd werden, ofwel of nog speciale vervolgingswetten tegen hen werden uitgevaardigd; dit laatste wordt door sommigen beweerd, door anderen bestreden. Met Decius (249—61) begon vanwege den heidensch Romeinschen Staat een systematische en bloedige vernietigingsstrijd tegen het Christendom, waaruit dit ten slotte zegenrijk te voorschijn kwam. Litteratuur; Le Blant, Sur les bases juridiques des poursuites dirigées contre les martyrs (Parijs 1866); Mommsen, Der Religionsfrevel nach römischem Recht (1890) en Abriss des römischen Staatsrechts (1893); Guérin, Étude sur le fondement juridique des persécutions contre les chrétiens pendant les deux premiers siècles (Revue historique de droit français et étranger 1895); Conrat, Christenverfolgungen im römischen Reich vom Standpunkt des Juristen (1897); Aubé, Histoire des persécutions (Parijs 1876 — 78); Le Blant, Les persécuteurs et les martyrs (Parijs 1893); Uhlhorn, Kampf des Christentums mit dem Heidentum (1889); Neumann, Der römische Staat und die allgemeine Kirche bis auf Diocletian (1890); Allard, Histoire des persécutions (Parijs I 3 1903 II3 1905) en le Christianisme et l’Empire romain (Parijs 1901); Hardy, Christianity and the Roman Goverment, (Londen 1894); Ramsay, The Church in the Roman Empire before a. d. 170, (Londen 1897); Mason, Historie Martyrs (Londen 1905); Linsenmayer, Bekämpfung des Christentums durch den römischen Staat bis zum Tode des Kaisers Julian (1905); C. Callewaert, La base juridique des premières persécutions (Revue d’Histoire ecclésiastique XII) A.D. Hellema, Kritische beschouwingen over de keizerlijke verordeningen aangaande de Christenen van Tiberius tot Decius, 1893; A. van Veldhuizen, Keizer Domitianus Theol. Stud. 1905.