Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 15-11-2018

Centrum

betekenis & definitie

Centrum - politieke partij van den Duitschen Rijksdag en van de landdagen van Pruisen, Beieren, Württemberg, Baden, Elzas-Lotharingen, Hessen, Oldenburg; kwam voort uit de noodzakelijkheid voor de Pruisische en alle Duitsche Katholieken, rechten en vrijheden der Kerk op den door de grondwetten verkregen rechtsbodem parlementair te verdedigen. Reeds 30 Nov. 1852 was een Katholieke fractie der Rijnlanders en Westfalen onder leiding van de gebroeders Peter en August Reichensperger, in het Pruisische huis van afgevaardigden in ’t leven getreden. Na de verkiezingen van 1858 noemde zij zich „Fraktion des Centrums (Katholische Fraktion)”, wijl hun plaatsen in het midden van het Huis lagen. De Duitsche liberale partijen verbonden met oppositiehouding tegenover de regeering centralistische neigingen, en tendenzen tot den Kulturkampf*.

Dienovereenkomstig eischte het politiek program van de Katholieken tegenover oppositie verdediging en organische ontwikkeling van de grondwet, tegenover de centralisatie het federatief princiep, tegen het leiden tot Kulturkampf de vrijheid der godsdienstige werkzaamheid. Zulk een positief program duidt reeds met sociale toevoeging, het Soester verkiezingsprogram aan, door de leiders der Katholieken 28 Oct. 1870 voor de Pruisische landdagsverkiezingen opgesteld. 13 Dec. 1870 volgde te Berlijn de aaneensluiting van de gekozen Katholieke afgevaardigden tot een zuiver politieke partij „Centrum (grondwetspartij)”. Deze C. partij van het Pruisische Huis van afgevaardigden vaardigde 11 Jan. 1871 een oproep uit tot de eerste rijkdsdagverkiezingen. 21 Maart 1871 constitueerden zich de gekozen 67 Katholieken als C. fractie van den Rijksdag. Hun program verlangde: 1. handhaving van het grondkarakter van het Rijk als een bondsstaat;

2. de bevordering van het moreele en materieele welzijn van alle volksklassen; 3. grondwettige vaststelling van garanties voor de burgerlijke en godsdienstige vrijheid van alle onderdanen des Rijks; bescherming van de godsdienstige genootschappen tegen ingrijpen van den wetgever. Geen partijdwang zou heerschen. Ook Protestanten traden tot het C. toe. Des te meer wantrouwend stond de rijkskanselier Bismarck tegenover het C., naarmate steeds meer de vroegere Hannoveraansche minister van Justitie L. Windthorst de leiding op zich nam. Haat tegen Rome verbond zich met afgekeerdheid tegenover de onafhankelijke grondwetspartij tot den Kulturkampf. Het C. overwon met de wapenen van Windthorst: verdediging van de kerkelijke vrijheid op grondwettigen grondslag, bruikbaren politieken arbeid voor de voltooiing van de grondwet, de wetgeving, de sociaal-politiek, de rijksverdediging en de rijksfinanciën.

In de 80er jaren vielen de meeste Kulturkampfwetten. In 1895 ging het praesidium van den Rijksdag op het C. over. Einde 19C6 dreef Katholiekenhaat tot vernieuwde uitschakeling van het C. Het C. strijdt met de oude wapenen: deelname aan de nationale taak, behoud van het politiek karakter der partij. 18 Nov. 1911 volgde te Berlijn de aaneenschakeling van de C. partij, die zich in alle bondsstaten op grond van het program, van het C. gevormd hadden. Daarna zijn de organen van de Duitsche C. partij: de comités van de rijksdagkiesdistricten, de landdagscomités der bondsstaten, het Rijkscomité. De opperste leiding van de partij in aangelegenheden des Rijks, vooral vaststelling van de partijstelling en ’t partijprogram berust bij het rijkscomité, bestaande uit vertegenwoordigers van den Rijksdag en der Landdagen en der landscomités.