Cacao betekenis & definitie

Cacao - het product van de Cacaoplant, Theobroma Cacao, een boom van de familie der Sterculiaceeën, inheemsch in trop. Centraal- en Z.-Amerika, vermoedelijk in het dal van de Orinoco en het Amazone-gebied, maar al vroeg door de kultuur over een grootere uitgestrektheid verspreid. Reeds Ferdinand Cortez vermeldde in 1528 de plant als een bekende kuituur plant en gaf er een uitvoerige beschrijving van. De boom wordt niet veel hooger dan 10 M., meest slechts tusschen 5 en 8 M., en heeft groote bladeren met een lange, spitse punt.

In hun jeugd zijn deze geelachtïg of rosé gekleurd en hangen slap aan de jonge takken naar beneden. De kleine bloemen zitten in groepen aan de oudere takken of zelfs aan den stam; ze ontwikkelen zich uit zg. slapende knoppen. De bloemen zijn klein, witachtig geel, met eenige paarse strepen op de bloembladeren. Slechts zeer weinige bloemen in een bloeiwijze zetten vrucht, en daarvan komt nog slechts een enkele vrucht tot volle ontwikkeling. De rijpe vrucht is niet bij alle vormen gelijk van vorm. Meest is ze meloentot komkommerachtig van vorm, puntig met 10 overlangsche gleuven. De buitenzijde van de vrucht is geel, groen of rosé tot rood en glad tot sterk rimpelig. Meestal is de vrucht 12—20 c.M. lang en 8—10 c.M. in doorsnede.

Binnen de weeke schil zit nog een harde houtige schil. De inhoud bestaat uit 6 overlangsche rijen van zaden, de cacaoboonen, die alle aan een centraal middengedeelte vastzitten. Zij zijn in een vruchtvleesch ingebed, dat bij rijpworden van de vrucht slijmerig wordt, waardoor de zaden losraken. Per vrucht zijn er zoowat 30 zaden voorhanden. Deze zijn het, waarom de cacao gekweekt wordt. Men onderscheidt in Amerika twee hoofd-varieteiten, het Criollo-type en het Forastero-type, die ieder weer in een aantal ondersoorten uiteenvallen. De Criollo’s (lett. de „inheemschen”) zijn de fijnere, maar tevens de teerdere en zwakkere soorten; de Forastero’s (lett. de „vreemden”) zijn minder goed, vaak ordinair, maar hebben een krachtiger groei en grooter weerstandsvermogen en verdringen meer en meer het Criollotype, dat in alle Cacao-verbouwende landen geleidelijk achteruitgaat. Beide vormen hebben hun weg gevonden naar andere deelen der aarde: op Java is een Criollo het eerst aangeplant, doch deze is aan het verdwijnen en zal binnenkort geheel door een Forastero vervangen zijn.

Suriname kent alleen een Forasterotype. Behalve in Amerika wordt de kultuur ook beoefend in Azië, Afrika en Australië. Reeds omstreeks 1560 hebben de Spanjaarden de C. op Celebes ingevoerd, vandaar verspreidde de kultuur zich over de Molukken, maar pas in de tweede helft van de 18e eeuw begon men op Java en Ceylon de G. aan te planten. In Suriname voerde men in het laatst van de 17e eeuw de plant in uit Trinidad of het Orinoko-gebied, en omstreeks 1700 werden de eerste plantages aangelegd, die zich spoedig sterk uitbreidden. De oorspronkelijke groeiplaats van de cacaoplant maakt, dat zij alleen in tropische klimaten kan groeien met een tamelijk gelijke verdeeling van den regen over het jaar, dus in bergterrein niet groeien kan. Op Java kweekt men de c. niet hooger dan op 1000 M. b. z. Meest lant men haar op gekapt oerwoud of vruchtaren bodem. Men heeft eerst op aparte bedden uit zaad jonge plantjes gekweekt, die men bij voldoende grootte op regelmatige rijen op het terrein uitplant. Evenals de koffie heeft de jonge plant schaduw noodig.

Daarom plant men tusschen de rijen op het terrein andere planten, verschillend naar de landstreek,. op Java meest de Lamtoro (Leucaena glauca), in Suriname de koffiemama (Erythrina). Geregeld wieden van de tuinen en een doelmatige snoei zijn noodzakelijk. De rijpe vruchten worden met een mes verwijderd of die aan de hoogere takken met een soort snoeimes aan een langen stok afgestooten. Daar de bloei periodiek is, d.w.z. eenige malen per jaar een maximum vertoont, is ook de oogst een paar maal per jaar of eens per jaar gedurende eenige maanden veel belangrijker dan in de overige maanden van het jaar. De geplukte vruchten worden nog denzelfden dag opengehakt, de zaden verzameld en deze in bakken aan een gistingsproces onderworpen, het zg. fermenteeren, dat al naar de landstreek en de soort van c. een tot meer dagen duurt, en waarbij alkohol en koolzuur, later ook azijnzuur gevormd wordt. Door de fermentatie wordt een in het versche zaad aanwezige looistofachtige verbinding veranderd in zg. cacaorood, waarbij de wrange en bittere smaak van het zaad verdwijnt en de specifieke cacao-smaak optreedt. Tevens komt de roodbruine kleur te voorschijn. Het kleverige moes (pulp) laat zich na de fermentatie gemakkelijk van de zaden verwijderen.

Daarna worden de zaden gewasschen en ten slotte in de zon of in speciaal daartoe ingerichte drooghuizen door warme lucht gedroogd. Het dan verkregen produkt wordt meestal met de hand gesorteerd, naar de kleur, rood, gevlekt of zwart, en naar de oppervlakte, vol, of min of meer gerimpeld. De roode, gladde zaden vormen de beste kwaliteit. Na verpakking in zakken wordt het produkt verscheept. De wereldproductie aan droge cacaoboonen bedroeg in 1914 ruim 276 millioen K.G., waarvan de Goudkust (Accra) alleen ruim 50 mill.

K.G. opleverde. Andere belangrijke cacaolanden zijn Ecuador met 42 mill. K.G., Bahia met 36 mill. K.G., San Thomé met 31 mill.

K.G., Trinidad met ± 30 mill. K.G., Samana ± 23 mill. K.G. en Venezuela 13 mill. K.G. Andere landen bleven ver beneden de 10 mill. K.G. Van onze koloniën produceerde Suriname in den besten tijd (1895) 4l/2 mill. K.G., in 1904 bedroeg dat, wegens de inmiddels opgetreden krullotenziekte. nog slechts 850.000 K.G., in 1914 was de opbrengst weer tot ruim 2 mill.

K.G. gestegen. Java produceerde in 1911 zijn grootste opbrengst, nl. 3 mill. K.G., in 1914 was dat cijfer tot de helft gedaald. Zoowel de Surinaamsche als de Java-cacao behooren tot de betere soorten, vooral de laatste. Het grootste deel van deze cacao komt in Amsterdam op de markt. -